vrijdag 30 januari 2026

Hamilton, de zwervende Noorse boskat.



Als ik 's morgens de deur naar de schuur voorzichtig opendoe zie ik onder de deur door vaak al twee uitgestrekte kattenpootjes. Ik wacht tot de pootjes worden teruggetrokken en dan kan ik de deur verder opendoen, en vraag: Hamilton, liefje, wil je eten? 

Op de kokosmat gaat Hamilton vervolgens rollen in een wolk van rood haar. Even laat ik dan mijn handen over zijn massieve buik gaan, voel de korte warme krulletjes van zijn buikvacht en ben weer blij dat ik al dat lange haar, dat voorheen altijd in natte slierten aan hem hing, heb kort geknipt. Ik registreer waar klitten ontstaan ..... En ik vraag me weer af: hoe overleeft een zwervende kat met lang haar zonder hulp van een mens? 

Sinds 20 mei 2025 mag ik hem aanraken, na een vol jaar jaar op afstand voor hem zorgen. En daar weer voorafgaand was er een jaar geweest waarin ik besefte dat hij een zwerver was, op de wildcamera had gezien dat hij vogelvoer at. Goed, lang verhaal kort: 2024, wildcamera continu bekeken, de zwerfkatten geteld, buurtonderzoek, dierenbescherming en vangkooi, en ik ving vier katten waaronder een zoon van Hamilton en Hamilton zelf. Hamilton en zijn zoon waren er het slechtst aan toe: mager, klonten vervilt haar waartussen de teken zichtbaar waren, kale plekken .... Zielig. De gevangen katten werden alle getest op ziektes, gecastreerd,  en goddank snel herplaatst, ook het katje dat hoogzwanger bleek. Met allen, ook de kittens, kwam het dankzij het asiel goed. Behalve met Hamilton. Hij was te wild voor adoptie, zat twee maanden ongelukkig te zijn in een kooi in het overvolle asiel. Wel: gezond verklaard, onder verdoving geschoren, gecastreerd, gechipt, etc. 

Met vriend samen knapten we in een paar dagen ons oude schuurtje op dat ooit kippenhok was geweest, en ik haalde Hamilton op uit het asiel. Gelukkig zat er een doek over zijn reiskooi want hij was "not amused". Twee weken bivakkeerde hij in dat kippenhok, at, dronk, sliep en keek naar buiten (zag ik op de camera). Maar elke toenadering van mij was ongewenst: oren in de nek en blazen, uitvallen. Na twee weken zette ik het deurtje naar buiten open, bleef er wel eten en water neerzetten. De wildcamera liet zien dat hij regelmatig brokjes kwam eten, net als twee vosjes, spitsmuizen, en zelfs een boomklever. 

Hamilton bleef in de buurt, lag regelmatig in het houthok. Ik kocht een houten "geïsoleerd" katten-winterhuisje (wat een waardeloos ding bleek en waar geen enkele kat ooit in heeft gezeten), en vlocht van bamboe ook nog een windscherm omdat het in het houthok zo tochtte. Maar zoals dat gaat met katten: ze kiezen hun eigen slaapplek. Vaak lag hij nu ook in het vele ruiten missende kweekkasje op een tafeltje, dus ik legde ook daar een mandje voor hem neer. 

Omdat alle andere zwerfkatten waren weggevangen leek hij wat relaxter dan voorheen rond het kippenhok te lopen. Het werd weer winter. Elke dag zette ik eten neer, en ik zag dankzij de camera: hij at en dronk, maar zijn vacht was weer in een vreselijke staat. Klonten vervilt haar wapperden aan zijn zij als hij liep. Toch, hij kwam steeds dichterbij, leek zelfs op mijn komst te wachten. 

Op 20 mei vorig jaar mocht ik hem voor het eerst aanraken terwijl hij at. Vanaf dat moment ben ik voorzichtig begonnen met hem te kammen, en klonten haar weg te knippen. Het was een langzaam proces, waarin ik zijn taal en manieren moest leren kennen, ook zijn grenzen leerde kennen. Ging niet altijd goed, nu en dan zat ik flink onder de krabbels. 

Hij gaf kopjes, ging met me meelopen in de tuin. Speelde rondom me. Liep mee naar de schuur als ik via de schuur terug naar mijn huis liep. Maar schrok als de honden achter het hek gingen blaffen, holde weg. 

Nog een winter buiten leven leek me geen goed idee, hij was immers ook al op een jaar of zeven, acht geschat door de dierenarts van het asiel. Afgelopen november werd in de enorme schuurdeuren voor hem een klein deurtje gemaakt, en hij kwam dan ook direct via dat deurtje de schuur in ! Hij kreeg ook daar wat spullen: een mandje, een stoel, nog een mandje, nog een stoel. Maar alles werd afgekeurd totdat mijn zus een fauteuil naar de stort wilde brengen. Die zette ik voor hem neer vlakbij de deur naar mijn keuken, en deze stoel werd goedgekeurd. Ook het warmtedekentje, en de "tent" tegen de kou die we erover bouwden: goedgekeurd. 

Maar ik wil het liefst dat hij hier in huis komt, al is dat nog een stap te ver. Bovendien: ook al is hij bij mij welkom, hoe denken de honden over zijn komst? Honden die al jaren naar hem vanuit hun omheinde tuin! Kunnen ze aan elkaar wennen? Ik begon gewoon aan het "wen-proces". Iedere keer als ik Hamilton had geaaid liet ik daarna de honden aan mijn handen ruiken, en gaf hen eten met de geur van Hamilton nog aan me. 

Met de deur naar de schuur open maak ik de laatste tijd Hamiltons eten klaar: zacht voer dat ik opwarm door er warm water doorheen te prakken. Dat ruikt Hamilton, maar uiteraard ook de honden. Met zn vieren staan ze voor mijn voeten te vachten wie het volgende brokje krijgt ....., waardoor de komst van Hamilton een feestje is geworden. Zelfs de neuzen van de honden en Hamilton worden nu en dan tegen elkaar gedrukt. Of Hamilton vergeet zichzelf, loopt onder de honden door naar binnen, en gaat even kijken of er nog iets lekkers in de etensbakken van de honden ligt. Maar schrikt dan schijnbaar van zijn eigen overmoed, schiet tussen de honden door weer de schuur in. 

Soms is de angst bij Hamilton groter dan zijn eetlust, en blijft hij dagen achtereen in de schuur, ook al staat de deur naar de keuken voor hem op een kier. 

Ik liet vanmorgen de deur naar de schuur (ondanks de vrieskou) wat wijder open staan, en hij stapte naar binnen, ging de warme vloer staan "melken" met die mooie witte sokjes van hem, en keek naar me op met ogen die me soms aan jade doen denken, soms aan de zee in Normandie. Eten, aaien, even wat liefde delen. Even later zag ik hem weer vertrekken, richting luikje schuurdeur: een wolk van rood haar, staart als een pluim heen en weer zwaaiend, kijkend door het luikje of hij veilig naar buiten kon .....en floep, daar ging hij weer, de sneeuw in. 



zondag 14 april 2024

Smalle wegen

Gisteren. Mooi weer, bijna te warm om met de honden te gaan wandelen. Maar ik heb mijn rug weer bezeerd met werken in de tuin en wandelen is, samen met yoga en tai chi, voor mij een prima remedie om te ontspannen, mijn onderrug weer uit de kramp te krijgen, beetje sterk te houden. 

Hondjes in de camper, water, thermos, en ik reed richting Gieten. Al bij de eerste rotonde sloeg ik een andere richting in, en wandelde een half uur later in de omgeving van Ter Apel, bij het prachtige klooster dat in een mooi wandelgebied staat. Hier heeft de Ruiten-Aa weer zijn meanderende vorm gekregen, liggen stapstenen door het snel stromende water, liggen jonge bossen tegen heel oude aan. Hier liep ik ook graag met mijn sterke Jip, die altijd het water inging. 

Na de wandeling zat ik op een grote parkeerplaats in de camper thee te drinken, dacht na over hoe vaak ik hier met de hele familie gelopen had. Met andere honden, in een voorbij gegane tijd. Nu met mijn bijvangst Yana, een klein pittig podencootje (bijna 12) dat continu vertedert, de timide beschadigde Savannah die thuis een blij ei is, maar tijdens wandelingen bang is om vergeten of verhandeld te worden, en de hond die ik nu het langst heb: Tommy, mijn graatmagere prachtige zwarte galgo met een spierwit masker. Alleen ben ik nu, en met andere honden, maar de vogels floten nog net als toen, bomen waren nog net zo mooi maar nu in helder lentegroen, alles is er prachtig, en via het smalle toegangsweggetje kwam nu en dan een auto rijden met gasten die naar het naastgelegen restaurant wilden.  

Toen ik op dat smalle weggetje weer wegreed zag ik links in de berm mensen staan die problemen hadden. Een man werd ondersteund door een vrouw, beide oud, wankelend. Het leek of ze over wilden steken naar hun auto die aan de overkant op een passeerplek stond, maar op de een of andere manier .... er was iets raars, kwamen ze niet over de ijzeren buis, die, slechts een twintig cm hoog, de berm beschermde? Ik stopte een paar meter voor hen, zodat ik niet pal langs hen hoefde te rijden. De vrouw knikte naar me, besefte dat ik wachtte tot ze zouden oversteken. Nu kwam nog een (SUV) auto van de andere kant aan rijden, die wel probeerde door te rijden, pal naast de twee mensen ging staan, bestuurster deed haar armen omhoog naar mij: ze kon er niet door. Tja. De camper is niet de grootste, maar wel een busje van formaat, bovendien spierwit en hoog, niet iets om over het hoofd te zien. De bestuurster had echter geen oog voor de situatie, was het weggetje ingereden, wilde voorbij, dus wat nu? Omdat ik een paar meter voor de oude mensen was gestopt had ik ook wat manoeuvreer-ruimte, dus ik propte de camper wat schuin nog net achter de geparkeerde auto. 

Ze kon er net langs, nogmaals een keer naar mij de armen omhoog gooiend, de mensen op het terras van het restaurant (aan het eind van het weggetje, zonnebrillen, witte overhemden) zaten vast op haar te wachten 😒. Ik had inmiddels mijn raam open gedaan, vroeg aan de mensen in de berm: wilt u hulp? Een wanhopige blik en een knik van de vrouw, die probeerde haar man overeind te houden. Ik stapte uit, de man greep al naar mijn uitgestoken hand en ik trok hem "in de arm". Maar om bij de auto te komen moest hij die ijzeren buis overstappen, dat hekje dat de berm beschermt, en hij kon zijn benen die twintig centimeter? misschien vijfentwintig?, nou kortom, hij kon zijn voeten niet zo hoog optillen. Nu, nu de man tussen ons beiden in stond, bukte de vrouw en trok aan zijn broek zijn voeten een voor een over die ijzeren buis. Hij maakte een geluid dat ergens uit de diepte kwam, was het pijn? vermoeidheid? onmacht? (Als mijn hond zo'n geluid maakte zou ik naar de dierenarts hollen). Terwijl we naar hun auto schuifelden voelde ik zijn oude hand in de mijne: groot, maar dik en zacht, de mannelijkheid was er al een tijdje uit. Alles trilde aan hem, benen, armen. Hij droeg een zonnebril, een hoed, hij mocht vast geen zon op zijn huid. O wat fijn om gezond te zijn, te kunnen helpen, gewoon te kunnen lopen, dacht ik nadat hij mij losliet, hij zich beetgreep aan de auto. Ze bedankten mij, ("graag gedaan") en ik stapte weer in de camper, reed een klein stukje achteruit en kon toen langs hen rijden. Een zwaai van een hand, en verder maar weer. 

Nogmaals, het is geen kleine bus, en het weggetje is smal. Desondanks reed er weer een auto het weggetje in, waarop ik direct met mijn lichten seinde. Hij reed door. Stopte pontificaal voor me. Nu deed ik mijn armen omhoog, want: waarom deed hij dit? waarom wachtte hij niet even op het hoekje? Hij reed toch achteruit, maar reed niet helemaal naar het hoekje, maakte het mij zo moeilijk mogelijk om langs hem te gaan. Ik stopte, deed mijn raam omlaag, en ik zei: dank je wel, het is een erg smal weggetje niet? In de auto zat een jonge man, wat dikkig, en met een heel boos gezicht en hij zei niks. Dus ik zei: wat, ben je nou boos? Terwijl ik eigenlijk wilde zeggen: slim ben je niet he? Hij snauwde: doorrijden! "Jezus, wat ben jij een eikel" wilde ik zeggen, maar ik zei alleen maar: "Jezus"! Dacht: dat is nou de generatie waar iedereen het over heeft, alles moet direct en zonder enige moeite, geen tijd, zelfs niet op een zonnige lentedag. Maar goed, dat dacht ik alleen maar, ik weet niks.  En mijn rug, mwah, die was ik vergeten zodra ik de camper uitsprong om die mensen te helpen. 

zaterdag 3 februari 2024

Raymond Eijeriks, goede buren, oliebollen.

Ze vroegen ons gisteren of we kwamen eten, de "buren" die eigenlijk geen buren zijn maar even verderop wonen. Ook zij hebben honden, eten vegetarisch, en verbouwen een huis. Dat schept een band, vooral de hondjes en de liefde voor dieren. 

We kwamen er rond vijf. Het huis is erg gezellig, alles rook naar eten, honden kwispelden, de houtkachel brandde, en de wijn werd ingeschonken. Ondertussen praatten we wat we zo de afgelopen weken hadden meegemaakt. Verbouwing, werk, last van bladblazers en hardrijders, hun kinderen. Ik sprak niet over familie, want het zijn moeilijke dagen en ik schoot al vol toen ik, lopend naar het huis van de buren, wat Oekraïners tegen kwam: op hun gezichten zorg en leed, maar vriendelijk groetend, wat me ineens finaal emotioneel vloerde. 

Bij de buren werkten de blije staarten van de honden en de omhelzende armen van de buren vrijwel direct alle sombere gedachten de deur uit. Ik dronk wel iets meer dan normaal, en at de heerlijke maaltijd. Het toetje blies me helemaal omver: Eton Mess! Luchtig, fruit, knapperige koekjes erin, heeeeerrrrlijk. Ik voelde me in alle opzichten verwend, maar toen zette "de buurvrouw" ook nog een heerlijke koffie en een schaal met oliebollen op tafel! En dat op 3 februari! Ze was er speciaal voor naar Duitsland gereden, waar de Aldi ze verkoopt. Ze had onthouden dat ik had verteld dat oud en nieuw voor mij niet echt was, het oude jaar niet was afgesloten, als ik geen oliebollen had gegeten. Dat was dit jaar zo. Omstandigheden: mijn zus opeens het ziekenhuis in, geen kerstviering met de familie, een teruggetrokken oud en nieuw vanwege bange huisdieren, geen oliebollen bij zus en zwager gegeten. Ook de buren hadden zich tegen het vuurwerk moeten verschansen met hun bange huisdieren, dus we begrepen elkaar volkomen. 

Nu maakten onze buren dit missen van oud en nieuw in een klap goed. Bovendien vertelden ze dat ze deze week kwamen helpen met onze verbouwing. Kortom, ik ging in een meer dan dankbare stemming naar huis. 

En toen werd het ochtend. 4 februari. De geboortedag van Raymond. 

Zondag 4 februari 2024. 

Er vallen zonnestralen door het dikke wolkendek: Ray. Licht. Zon. Raymond. Hij zou jarig zijn vandaag, we zouden hem plagen, vragen wanneer we hem weer zouden zien. Hij zou vast bij zijn vriendin zijn, iets leuks doen voor zijn verjaardag …..Maar we zien hem niet meer, tenminste, wel in de zonnestralen, maar niet lijfelijk. 

Ik herinner me zijn kleine lijfje, toen ik hem voor het eerst vasthield. Zo klein, en met een dik oogje waar ik me zorgen over maakte. ‘Nee, niks aan de hand’ zei m’n zus: ‘heeft een beetje klem gezeten bij de bevalling, trekt met een paar dagen weg’. 

Op dat moment voelde ik dat ik niet geschapen was voor het moederschap, de liefde deed te zeer, kijkend naar dit zo kwetsbare wezentje. Het was waar, het dikke oogje was binnen no-time weer oke, en Raymond groeide op tot een blije kleuter, jongetje, met de mooiste ogen van de wereld. Natuurlijk kon hij ook een klein monstertje zijn, je uitproberen, vaak terwijl hij je aankeek, alsof hij direct het effect wilde zien. Hij groeide op tot een prachtig mens, in alle opzichten. Uiteraard kende ook hij zijn moeilijke momenten. Maar wie kent dat niet? Hij dealde er mee. Hij was nieuwsgierig, onderzoekend, sociaal, slim en hij had een ontwapenend gevoel voor humor. Als Ray je aankeek, dan keek hij naar binnen, vroeg naar je, zoals ook zijn vader altijd deed. Een betere naam kon hij niet hebben, maar dat wist ik nog niet, toen, toen ik dat kleine mannetje, het tweede kindje van Hennie, voor het eerst mocht vasthouden. 



dinsdag 23 januari 2024

Een twaalfjarige verzets-koerier: Mimi.

De telefoon gaat over, een keer, twee keer, en dan wordt er opgenomen. Blij roept ze: "Haaaaaa Tineke .... " en ik lach om die zo bekende stem en dat enthousiasme waarmee ze ook altijd mijn vader (haar broer) begroette, en zeg: goeiemorgen!! Ze antwoordt: "Het is zeker een goeie morgen, de zon schijnt, ik kan veel meer zien als het zo licht is .....de hulp is koffie aan het maken ..... ".

Het lijkt of ze vergeten is dat ik haar pas gebeld heb, maar dat doet er niet toe, ze weet in ieder geval dat mijn zwager haar kort geleden gebeld heeft, en dat ze een gesprek over de oorlog kregen en dat ze ook mij hierover wilde spreken. Tante Mimi (Miem) vind het fijn dat ik e.e.a. opschrijf over haar verleden, of dat van de familie. Bij deze. 

Ditmaal wil ze iets kwijt over iets wat ze deed voor het verzet in de oorlog. Ze was heel jong, rond de twaalf jaar en deed alleen "een boodschap", naar haar oudere zus en zwager, welke actief waren in het verzet.  Deze oudere zus heette Dina Schriek, getrouwd met Henk Ignatius in of net voor de oorlog. Later woonden Dina en Henk in Vlaardingen, in de Soendalaan, maar waar Miem nu over vertelt, dat eerste woonadres van Dina en Henk, daar heb ik nog nooit over gehoord. Kortom, dit vertelde Miem mij vandaag:

Miem haar moeder, mijn oma Schriek, had veel kinderen (9), en er moest bijverdiend worden, altijd. Voor de oorlog werkte ze in de brandweerkazerne op de Heijplaat, schoonmaken en koken samen met een vrouwelijke collega. De oorlog brak uit en de Duitsers kwamen al snel de kazerne in, joegen alle mannen eruit, maar toen de dames hun jassen pakten mochten deze niet weg. Schoonmaken, koken voor de Duitsers! Mijn oma bleef er daardoor werken, werd zelfs bevriend met een aardige Duitser, Lutz, die haar hielp, eten meegaf en zelf wat informatie doorspeelde nu en dan, informatie die mensenlevens kon redden. Tante Miem aarzelt terwijl ze alles vertelt, ze herinnert zich zijn naam, hij kwam uit de Elzas, was gedwongen het leger in te gaan. Miem denkt na, zegt dan: ... Lotheringen, Richard Raymond Lutz .... Hinkel? Aarzelt Miem .... "Frans" hoor ik Miem nog zeggen?, maar in ieder geval Lutz werd hij genoemd! 

Oma hoorde doordat ze zo tussen de Duitsers liep te dweilen en boenen nog wel eens wat. Een van de dochtertjes die nog thuis woonde in die tijd (Miem, circa 12 jaar oud) werd ingeschakeld als oma belangrijke informatie had gehoord, razzia's, dingen die overgebriefd moesten worden aan het verzet. Degene die te vertrouwen was was haar eigen schoonzoon: Henk Ignatius. Miem moest er naar toe, direct nadat ze de adressen en data die haar moeder haar vertelde uit haar hoofd had geleerd. Het was wel een dik uur lopen, bovendien een nare kale lange weg, vanaf de Utenhagestraat, richting Waalhaven, weinig mensen op straat behalve wat soldaten, ook NSB-ers die je aan konden spreken .... ze vond het spannend. Bij haar zus aangekomen vertelde ze haar boodschap. en kreeg ze een boterham, en omdat het eten toen schaars was was dat haar erg goed bijgebleven: dat die boterham zo lekker was. Maar ook wist ze nog hoe naar ze het vond om ook weer een uur alleen terug te moeten lopen. Miem vertelt nog het een en ander, over onderduikers, razzia's, en hopend dat ook haar "boodschappen" mensenlevens had gered. 

Snippers herinneringen uit een ver verleden. En Miem is nu hoogbejaard, en merkt dat haar geheugen haar nu en dan in de steek gaat laten. Waarmee straks ook het laatste verhaal uit is. 

Ik denk aan het schilderij dat hier in de gang hangt, van mijn oma geweest, en ik heb het via Miem gekregen, inclusief het verhaal dat er bij hoort. Het heeft een link met dit gedwongen werken voor de Duitsers en verhaalt over gestolen aardappelen, de aardige Lutz, en over een oude buurman die niets te eten had ..... ook een snippertje uit een naar stuk verleden, maar daar heb ik vast al over geschreven. 




maandag 1 januari 2024

Oud en nieuw, toen vuurwerk nog leuk was.

1 januari 2024. Er is net weer een jaar afgesloten, 2023 is voorgoed voorbij. Time flies. De afgelopen dagen maakten, zoals altijd rond kerst en oud en nieuw, herinneringen los. Herinneringen aan tijden toen ik nog geen hekel aan vuurwerk had. 

Oud en nieuw was toen ik kind was zo feestelijk en spannend. Het had met heel veel oliebollen te maken, maar ook met laat opblijven, met de kerstboom die, vrijwel al naald-loos, boven uit het raam van ons huis aan de Katendrechtse Lagedijk werd gekieperd om daar op de stoep in de fik te worden gestoken. Mijn vader propte kranten tussen de kale takken, stak hem aan, maar de boom brandde zelden. Wel de kranten, snel en gulzig, niet de boom. Mijn zusjes stonden erbij, mochten wél mee naar buiten. Ik, altijd ziek met de feestdagen, keek vanaf de tweede verdieping, staand op de brede vensterbank, voorhoofd tegen het koude glas, handen om mijn ogen om zoveel mogelijk weerspiegeling vanuit de kamer te verminderen, alles buiten goed te zien. Ik zag dan lucifers uitgewaaid worden, of vuur even oplichten, af en toe mijn vaders gezicht oplichten als hij aan zijn sigaret trok, mijn zusjes als vage schaduwen. Dat was het. Hier en daar werd een rotje afgestoken in de straat. Het beste en indrukwekkendst was altijd de tot in de hemel roepende misthoorns van de misschien wel honderd (of meer) rijnaken die in de Maashaven lagen. Rij aan rij, verbonden met touwen en loopplanken, maar vooral verenigd in het geluid van hun misthoorns. In mijn geheugen zijn het plaatjes geworden, Anton Pieck-achtige taferelen uit mijn jeugd, maar altijd met geur en geluid. 

We verhuisden toen ik een jaar of 10 was. Midden in de vierde klas ging ik naar een andere school, maar dat hinderde verder niet, ik voegde me snel. Openbare school aan de ....veld (naast het Brekelsveld waar het ergste drama plaatsvond dat ik ooit dichtbij meemaakte: de vrouw van de sigarenwinkel en haar zoontje werden vermoord. Ik dwaal even af, het was ook niet niks, heel Zuidwijk stond op zijn kop, politie zocht tussen de bosjes langs ons flat naar een vermiste portemonnee, daar waar ik altijd de gevallen knijpers zocht voor mijn moeder). Goed, terug naar mijn klaslokaal, groep zes zouden ze dat tegenwoordig noemen. De leraar wreef continu over zijn gulp, waardoor een vettige vlek was verschenen op zijn grijze broek, waar slechts één meisje uiteindelijk haar moeder over inlichtte. Dat werd een relletje. Dat meisje heette Lia Weeda. Bijna alle namen van de kinderen uit mijn klas ben ik vergeten (Victor Meertens, Marjan van Waardenberg zijn de enige twee andere). 

In deze tijd woonden we verder van de havens af, want was in Zuidwijk, Maar als we met oud en nieuw naar buiten gingen hoorden we het: de schepen toeterden. Verder gaan mijn herinneringen daar niet, niet qua oud en nieuw althans. 

Midden in de zesde klas verhuisden we weer. Mijn moeder deed er alles aan om een betere huurwoning te krijgen, via woningruil, waarvoor ze vele advertenties zette. Mijn tante Jo kwam in ons huis aan de Lakerveld (58) wonen, en de mevrouw die op de Akselsekreek 42 woonde ging in mijn tantes huis wonen (ergens richting Utenhagestraat), en wij dus naar de Akselsekreek. Daar hoorden we het gejuich vanuit het Feijenoordstadion, het gejuich vanaf de sportvelden uit Sportdorp, en het gezellige geluid van de treinen op de lijn die de wijk Lombardijen en Kreekhuizen scheidde, maar we hoorden ook nog steeds de schepen met oud en nieuw, al was het geluid veel zachter. 

Elf jaar was ik toen ik er kwam wonen, en ik zou er blijven tot mijn 19e. Oud en nieuw werd ieder jaar wilder. Ten eerste mocht ik vanaf mijn 15e? met oud en nieuw gaan en staan waar ik wilde. Ik liep door de straten met vriendjes tot het 12 uur werd (zelfde vriendjes waar ik op die leeftijd kattenkwaad mee uithaalde, mee voetbalde of zoende, net hoe het uitkwam). Ik was gecharmeerd van een bepaalde vrijheid, wildheid zelfs, denk ik nu. De vriendjes hadden wat rotjes, gewoon in hun zakken, maar van een formaat waar ze tegenwoordig om lachen. Af en toe staken we een rotje af, keken naar het altijd teleurstellende knalletje, wachtende op het grote moment: 12 uur. Voor dat "grote moment" moesten we in de buurt zijn van de beste vriend van mijn vader. Deze was van oorsprong chinees, en heette Au. Hij had een stevige blonde echtgenote, vijf prachtige zoontjes, waarvan de jongste twee vriendjes waren van mijn broertje. In hun huis (in de hal volgens mij) stond al een tijd van tevoren een enorme kist met vuurwerk klaar. Het gevaar hiervan was onbekend, of werd onderschat, ik weet het niet. 

Feit is dat ik, wij, vooral bij dit huis in de buurt wilden zijn als het twaalf uur werd. Soms gebeurde er iets dat minder leuk was. Ik denk dat ik rond een jaar of 14, misschien 15 was toen we met zijn allen al stonden te wachten op het kruispunt dichtbij mijnheer Au's huis. Vanaf de lantarenpaal hees hij altijd een enorme sliert rood vuurwerk op, daar hoopten we ook dit jaar op. Helaas kwam er iemand in een auto aanrijden die waarschijnlijk blind was, of dronken, take your pick, want hij reed gewoon knal ons groepje in. Het kostte mijn vriendje van dat moment zijn voortanden (John Alfenaar, of Alphenaar?), die opgeraapt werden, en tanden en Johnny werden naar het ziekenhuis gebracht. Op dat moment had ik een soort van verkering met hem, maar de eerste de beste keer dat ik hem weer zag maakt hij de verkering uit. Niet dat dat erg boeide, want verkering was eigenlijk alleen maar nu en dan wat leren zoenen in de kelders van een van de flats bij het winkelcentrum in de buurt. 

Mijn oudste zus trouwde toen ik 14 was, ging in de Seringenstraat (8b) wonen. Mijn opa en oma hadden in dat huis gewoond. (Dood. Is een verhaal op zich, die opa en oma. Lieve mensen, laat ik dat wel zeggen) Deze zus was doodsbang voor vuurwerk, ook vanwege het gebeuren dat mijn moeder vaak vertelde: lang geleden, ik vier of vijf, ma en ik samen richting de Gaesbeekstraat, gooiden jongens een rotje naar ons. Het ontplofte tegen mama's hand, dezelfde hand waarin zij mijn handje vasthield. Nogmaals: de rotjes waren niet van het formaat van tegenwoordig, dus bleef bij een lichte brandwond. 

Ook: oud en nieuw 1971? 1972? lopend door de straten in het centrum van Rotterdam, waar mijn oudste zus en zwager wat later waren gaan wonen, ik circa 18, gooide iemand vuurwerk uit een raam, wat terecht kwam in mijn haar. Dat leverde een behoorlijk gat in mijn toen lange haar op. In diezelfde buurt waren de rellen niet van de lucht, kerstbomenoorlogen, politie, branden, was al niet echt een leuke oud en nieuw meer. Mijn zus, verstandiger dan ik, was en bleef dan ook de rest van haar leven altijd binnen met oud en nieuw. Ik waag me altijd nog even buiten, zelfs nu, nu ik een dikke hekel aan vuurwerk heb gekregen. Niet omdat ik het buiten zijn mis, ik wil zeker weten dat er geen brand ergens ontstaat in dakgoot of schuur. 

Het dak is dus "een dingetje" dat ik in de gaten hou en niet voor niets. Restanten van vuurpijlen in de dakgoot doen me denken aan een oud en nieuw in Leiden. Ik rond de 38 jaar oud, en als van ouds bronchitis, dus bleef binnen bij mijn vriendin die zo lief was geweest mij uit te nodigen. Weer stond ik met mijn neus tegen het koude raam toen het twaalf uur werd, keek verlangend naar buiten waar groepjes jonge mensen zingend en lachend door de straten liepen. Het zag er gezellig uit. Vriend Peter had wat vuurpijlen, stond inmiddels buiten om ze af te steken, en ik zag even zijn gezicht oplichten toen hij aan zijn sigaret trok. Het ging niet zoals verwacht, hij schoot een vuurpijl in de markies (ouderwetse zonwering), één hoog, bij de overburen, waar al gauw een vuurtje zich verspreidde. Vriendin en ik werden zenuwachtig, wisten dat er daar niemand thuis was, maar wat te doen? Ik belde brandweer: te druk. Peet kwam trap oprennen, vroeg om een pannetje met water, maar de armzwaai met het pannetje leidde tot niets. Een buurman rolde een tuinslang uit, maar omdat de zonwering zo hoog zat haalde het dunne straaltje het bij lange niet. Er werd een trapje gehaald, en uit de inmiddels verzamelde groep studenten kwam de langste naar voren, ging op het trapje staan en hij richtte het dunne straaltje op de vlammen. De vlammen doofden, de student hief zijn armen naar de hemel, brulde een overwinningskreet, en werd onder luid gejuich van het groepje van de trap getrokken. Nog lang bleef de verkoolde zonwering aan de overkant ons herinneren aan dat voorval, omdat de eigenaar van het pand het niet belangrijk genoeg vond om de markies te laten vervangen.  

Nu, inmiddels oud, weet ik dat ik deze gebeurtenissen al vaak heb verteld, of opgeschreven. Maar waarom ik het weer opschrijf is omdat ik verbijsterd ben door het contrast tussen toen en het hedendaagse vuurwerkgebruik. Niemand loopt meer op straat, het is niet veilig. Geen handen schudden, wat drinken, eten, verder gaan, nu en dan ergens een rotje horen. Nee. De knallen lijken nu op oorlog, en het duurt dagenlang. Illegaal en legaal vuurwerk is zwaarder dan ooit. Carbidschieten zeker. Rammelende ramen, schuddende huizen, doodsbange dieren in een ontregelde natuur en doodsbange huisdieren. Ernstige luchtvervuiling, uitgebrande auto's, geweld tegen hulpverleners,  en nogmaals: doodsbange dieren. Vogels blijven rondvliegen, ook s nachts. Reeën blijven rusteloos rondlopen, steken in paniek wegen over. 

Laten we eerlijk zijn, is het vuurwerk de doden en gewonden waard? Ik zou de traditie terug willen dat je naar je buren gaat, handen schudt en iedereen een gezond nieuw jaar wenst, zoent, en een glaasje drinkt. Tenminste, als je niet binnen moet blijven omdat je bronchitis hebt, met je voorhoofd tegen het koude raam staat, alleen maar kan kijken naar de gezellige drukte buiten. Want dat is overmacht. De rest, een gezelliger oud en nieuw, is echt te regelen. 

Happy happy happy new year! 

zondag 26 december 2021

Covid geeft lelijke littekens.

 

December 26, 2021. 

Het is een topic dat ik beter niet kan aansnijden, maar toch ..... ik vroeg me onlangs af, of al die anti-vaxers ook zo anti waren geweest als het geen "griep" was geweest maar een soort builenpest, echt iets dat aan de buitenkant zichtbaar zou blijven, littekens zou achterlaten.

Ik las in de krant dat we voor het eerst meer foto's maken van ons zelf dan van onze geliefden. (Waarom denk ik aan dat bericht terug: ik ben foto's aan het uitzoeken van vroeger. Aangezien ik de meeste foto's maakte zijn het vooral foto's van mijn geliefden: familie, vrienden, natuur/dieren, weinig ikke). 

Dat is tegenwoordig wel anders. Iedereen wil vooral met zichzelf op de foto. En als er een puistje of vlekje zit wordt dat eerst onder een laag make-up verborgen, of op de afbeelding verwijderd. 

Dus als covid bulten, vlekken of littekens had achtergelaten: waren we er nu al van af geweest. Wat zeg ik, dan waren we met drie weken binnenzitten van het hele gedoe af geweest. Nou ja, dat dacht ik dus, al foto's van vroeger bekijkend, uitzoekend, in deze rare ego-tijd waarin veel mensen zichzelf erg belangrijk vinden, verdeeld zijn tot op het bot. Disclaimer: gelukkig zijn er ook heel veel mensen die aan de gehele gemeenschap denken. Hulde aan de zorg en de artsen, voor hen heb ik een diep respect. 


dinsdag 19 oktober 2021

Geesten die door de straten waaien.

 


Het komt vast door het overlijden van mijn vriends moeder, dat ik overal het einde van het leven zie. En nou is het nog herfst ook. Ik wil het bijna niet toegeven maar het is waar wat mn vriendin Sim zei over de dood: het lijkt of die in de straat woont (na het overlijden van haar nichtje). Ik zei toen: nee lieverd, de dood woont niet in de straat, de geest waait door de straat. Zo voelt het in ieder geval soms. 


Ik denk vaak terug aan wat ik zei op de crematie van mijn vriendin Marrie (Maartje): we gaan elkaar terug zien, ik weet het zeker! Woorden die waren ingegeven door Marrie zelf terwijl we over het hiernamaals filosofeerden: “wij hoeven niks af te spreken, wij vinden elkaar wel weer”. 

Het is sowieso lastig om iets af te spreken voor in het hiernamaals, want waar? Niet bij de lantaarnpaal, niet met een roos in je knoopsgat, want welke lantaarnpaal? en groeien er rozen in het hiernamaals? Bij wijze van spreken. En voorts lagen Marrie en ik, toen we dat zeiden, nog gezellig naast elkaar op bed naar haar tv-tje te kijken, en was het een soort liefdesverklaring zoals dat alleen in een heel hechte vriendschap kan. Zonder gêne, een borst vol. Een “My cup runneth over-moment”. De dood was nog ver weg toen, en diep, diep in mijn wezen voelde ik dat ik haar nooit zou kwijt raken. Nooit. 


Maar laten we even filosoferen over dat eventuele weerzien, laten we er niet van uitgaan dat we als druppels zijn in de zee. Of energie en moleculen die elkaar aantrekken zoals je ook wel hoort of leest.  

Laten we er even van uitgaan dat de kerkelijke voorstelling van zaken rond het after-life blijkt te kloppen: opgaand naar het licht. Petrus aan de poort, aankloppen, het opendoen en dan een blik van herkenning: hee, ben je daar al? Daarna zwaait die poort open en zie ik lammetjes naast de leeuwen spelen, al de dieren die me voor zijn gegaan komen me even blij tegemoet rennen maar rennen dan weer terug naar hun eigen familie. 

Ergens zit een man (of is het een vrouw? of allebei?), nou ja, een gestalte zit op een troon: God. Naast zijn troon ligt een glanzende windhond met de ogen van een ree: de God van de honden: heeee, dat lijkt Yardan wel!. Op schoot bij de gestalte ligt een kat met een donker masker waarin ogen zo blauw als hemelsblauw maar kan zijn: een heilige birmaan, of nee, een siamees! In ieder geval weet ik, die kat heet Tao. 


Ik schuifel voorzichtig dichterbij, want waar is mijn familie? 

God wijst en daar, bij de zuilen die ik direct herken, daar staat mijn vader, maar hij verstopt zich niet meer (zoals in mijn dromen waarin ik alleen zijn schaduw zag), hij komt me tegemoet en lacht een kamerbrede lach, armen wijd. Ik nestel me in zijn armen en voel tegen mijn wang de trui die mijn moeder voor hem breidde: het patroontje herken ik zelfs! 

Mamma is er ook, maar die is even bezig, ze praat met haar talrijke vriendinnen, zwaait al wel even: joehoeoeoe, ik kom zo! Mijn ogen dwalen rond, ik zoek want waar is ze? “Marrie” roep ik hard, “Marrieieieie”. (God houdt even zijn oren dicht, het galmt er bizar genoeg nogal). Marrie is zeker in de hemel toegelaten, want een beter mens was er niet, maar ze is margrieten aan het plukken, iets wat alleen de engelen mogen doen, daar, ze hoort me, laat de bloemen vallen en komt aanrennen……… armen wijd.  


Tja. Stel je voor dat dat eens waar zou kunnen zijn. Troostend zijn de gedachten wel, over weerzien, over een hemel. Leuker en gezelliger in ieder geval dan het idee dat we als energie, als moleculen elkaar zullen aantrekken, hervinden. Of opgaan in een groot licht? Druppels in de zee? Of dat er gewoon niks is, een groot saai niks (misschien wel met mooi uitzicht, want: sterren). 


We zien het wel, of niet. Voorlopig vind ik mijn moeder terug in de smaak van een kersenbonbon, of in de geur van buiten gedroogde was. Of vind ik mijn vriendin in de bermen vol klaprozen en margrieten. Verder moet ik het doen met het herkennen van een man op een fiets: hee, dat lijkt mijn zwager wel! Of een vrouw die in de auto voorbijrijdt en in een fractie van een seconde herken ik haar fraaie profiel: Marrie! Zag ze me niet? Waarom zwaaide ze niet? Stopte ze niet? Mijn vader zie ik zelden, die slanke gestalte, die bijna trotse houding, nee, mijn vader zie ik alleen in mijn eigen familie terug. Mijn moeder fietst nog wel eens voorbij, maar komt niet binnen voor een bakkie want nee, als ze dichterbij komt zie je het al, weet je het al: ze is het niet. 


Zo waaien de geesten door de straten, via een glimp van herkenning of een flard van een herinnering. En omdat er toch geen antwoord op hiernamaals-vragen is, het bij filosoferen moet blijven, zeg ik, nu er weer een geest bijgekomen is: ik mis jullie, ik hoop tot ziens lieve allemaal. 





maandag 11 oktober 2021

Marktplaats - de Gazelle opoefiets en een Raket!


Mijn vriend en ik houden van oude fietsen. Jaren geleden al weer (bijna 20 jaar geleden!) kochten we voor hem bij een lokale fietsenmaker een ingeruilde fiets die nog goed was: Sparta, stangenremmen, zwart, en een enorm groot leren geveerd zadel erop. Hij had eerder al een soortgelijke fiets, ongeveer even oud, een Gazelle, maar die was uit de kelder gestolen bij zijn vorige huis in Rotterdam. Die fiets had hij graag nog gehad, maar ja, sommige mensen kunnen nou eenmaal niet van andermans spullen afblijven. Het was niet alleen dat mijn vriend van deze fiets hield, hij houdt van de techniek van de fiets. In zijn jonge jaren al sleutelde hij samen met zijn broer met veel plezier aan allerlei soorten fietsen. Kortom, oude liefde roest niet zegt men (in dit geval trouwens wel ;-) ). 

De laatste tijd was het leven vol emoties. We merkten uiteraard wel dat het herfst werd, dat de zon lager staat, het daglicht goud is geworden, maar voor de rest zagen we niet veel schoonheid in de dagelijkse dingen, want we waren droef omdat we afscheid van een mooi en lief mens moesten nemen. Wat ons beiden wel wat opvrolijkte waren de plaatjes op het internet van oude fietsen. Voorts keek ik op marktplaats, waar een enkele keer een (zeer) oude fiets werd aangeboden. Alles voor een beetje afleiding. 

Terwijl mijn vriend en ik elkaar in lege momentjes bestookten met plaatjes en/of geschiedenis van oude fietsen, hier en daar oude achterlichtjes scoorden, of een mooie koplamp, kwamen we een mooie opoe-fiets tegen. Een "zusje" van de fiets die ooit van mijn vriend gestolen was: bouwjaar 1974. Kopen? zei mijn vriend. Ik zei: nee, ik heb een fiets, en een mooie ook. Maar goed, misschien begrijp je het al, onderweg naar het westen gingen we een week of drie geleden de fiets toch oppikken, die voor een billijke prijs weg mocht. 
De verkopers bleken een aardig stel en vertelden een en ander over de fiets: gekocht in de stad Groningen van haar eerste verdiende geld, 1974, alleen de bagagedrager leek vernieuwd, maar voor de rest: origineel. 

Terwijl mijn vriend een test-rondje fietste en ik de verkopende mijnheer vertelde dat vriendlief erg gelukkig werd van oude fietsen, antwoordde hij, ondertussen wat nieuwe fietsen opzij zettend: "ik heb hier achter nog een veel oudere fiets, een Raket geloof ik, van mijn vader staan, moet ook verkocht ....." en ik zag een oud gebarsten leren zadel, en een zwart stuur (overtrokken met celluloid). 
Terwijl mijn vriend weer van de opoe-fiets afstapte zei ik tegen hem: "kijk eens, een fiets van 1957, gaat ook verkocht worden ......". Ik zag z'n ogen groter worden! De banden van de Raket werden opgepompt en daar ging hij voor een tweede testrondje. 
Lang verhaal kort, we gingen er met twee fietsen vandaan en hadden bovendien twee erg leuke mensen ontmoet die beloofden ons eens op te zoeken. Thuis werd er gepoetst, de Gazelle was al heel netjes en had niet veel nodig: wel een ander zadel. De oudste fiets (de Raket) had meer aandacht nodig, maar de ergste roest verdween door de zwarte lak met een was in te wrijven. Het zadel bleek het comfortabelste waar we ooit op hadden gefietst. 

Nu fietsen we samen door dat mooie herfstlicht in een tempo zoals dat ooit voor fietsers normaal was. Ik op de opoe-fiets uit 1974. Peet op de Raket uit 1957 die loopt als een zonnetje. Ingehaald door de e-bikes. Bekeken door menig andere fietser. Een jongetje fietste ons tegemoet, bekeek de oude Raket verbaasd terwijl hij langsreed, en riep achterom: "wat een mooie fiets!". "Dank je wel, dat vinden wij ook", riep ik terug. 


dinsdag 5 oktober 2021

Marktplaats of gratis af te halen?

Vier jaar geleden. De driezitsbank was paars. Weelderig van vorm en bekleed met fluweel. Bovendien groot en zwaar en was hij van de mensen geweest van wie wij dit huis kochten. Waarom ze hem hadden achter gelaten bleek al gauw: zwaar en lomp en om hem het kamertje uit te krijgen (waar hij bijna klem tussen de muren stond) moesten we de poten eraf schroeven want hij ging anders met geen mogelijkheid door de deur. Gelukkig was toen onze vriend hier nog vaak en die hielp ons met sjouwen. We zetten de bank voor "eventjes" in de schuur. Zeiltje erover want de mede-bewoners van de schuur, de zwaluwen en/of kerkuil, hebben geen enkele eerbied voor meubelen. 

Dit is een groot pand, grote schuur, we hadden zeker kort na de verhuizing werk zat. Die bank werd half vergeten want stond in de schuur niet in de weg. Maar zoals dat zeker met grote schuren gaat: er kwam steeds meer rommel te staan. Alles voor "eventjes". Dus een jaar geleden ben ik begonnen met spullen sorteren: stort, opknappen, weggeven, marktplaats. 

Niemand van familie of kennissen had belangstelling voor een paarse bank en werd op het internet als "gratis af te halen" gezet. Het duurde eventjes maar uiteindelijk meldde iemand zich: "wil je hem voor mij reserveren? ik woon in Almere, heb zelf geen auto en moet vervoer regelen". Ik reserveerde de bank, en polste nu en dan: "wanneer kom je hem ophalen, en zorg je dat er sterke mannen komen met een busje of zo, want de bank is zwaar en ik kan absoluut niet meehelpen met tillen". De mevrouw reageerde met: "ik heb iemand die hem kan ophalen!". Fijn natuurlijk, en we maakten een afspraak waarbij ik nogmaals zei dat ik niet kan helpen tillen, dat er sterke mannen moesten meekomen.

De ophaaldag was aangebroken. De bank had ik nog even goed gestofzuigd, met azijnwater afgenomen zodat hij echt schoon was en stond al tussen de schuurdeuren klaar. 

Min of meer op het afgesproken tijdstip stopte er een klein, misschien wel twintig jaar oud Peugeootje voor de deur, een op het oog klein, te klein karretje er achter. Ik keek vanuit de tuin hoe het wagentje de oprit op reed, en dacht: het zal toch niet waar wezen? Moet dit de ophaalploeg zijn? En ja hoor, autodeur ging open ...... en een oude man stapte uit. Ooit lang geweest, nu gebogen. Slierten grijs haar wreef hij met een hand terug over zijn kale schedel. Alles aan hem was verkreukeld, inclusief de auto en het karretje. 

Ik zuchtte heeeeel diep. En beaamde dat hij hier een bank kon ophalen. Gelukkig was vriend Peter er, die kwam al aanlopen, altijd bereid om te helpen. Peter en ik keken elkaar aan, zeiden: goeiegod, gaat de bank wel in dat karretje passen?  

De man zei niet wie hij was, bromde nu en dan wat onverstaanbaars op onze vragen. Reageerde wel toen ik naar de donkere wolken wees en zei: volgens mij gaat het zo regenen, heeft u een zeil? Hij draaide zich om, rommelde wat in het autootje en trok er een groot oranje dekzeil uit, gooide het op het gras. Peet nam het voortouw, gaf aanwijzingen en ja hoor, de bank werd door beiden opgetild en je gelooft het niet: de bank paste er in! Tenminste, met de poten. Wulps plooiden de paarse leuningen aan achter en voor-zijde over de opstaande randen van het karretje. Peet vroeg: zal ik het zeil .....:? En heeft u een touwtje of een net? Nee. De man schudde zijn hoofd, hij had geen net bij zich. 

Peet en ik gooiden het zeil over de bank en propten zo goed en zo kwaad als het kon het zeil tussen en onder de bank. De kussens had ik (ik meende dat ik wel zo vrij mocht zijn) op de achterbank van het Peugeootje gedeponeerd. Peter trok nog een touw over het dekzeil en de man zei: "nou, oké dan". Stapte in en tot mijn grote verbazing reed hij niet daar heen waar ik gewezen had om te keren, maar hij reed de bomenlaan van de tuin in. Zo'n veertig, vijftig meter de tuin in is het gras wat breder, en daar reed hij een rondje om een boom en kwam vervolgens weer onze kant op rijden. Zonder op of om te kijken reed hij langs. 

Peet en ik keken het Peugeootje na. Ik zei: "nou, dat waren dan de sterke mannen en het busje" en had voorts nog wat kleinzielige gedachten over het ontbreken van een bedankje, gedachten die ik niet uitsprak. We keken de oranje klont na. Hij stopte nog even voordat hij weer de weg op draaide en was toen verdwenen. Dikke regendruppels kwamen nu uit de lucht vallen en Peet zei: zo, dat obstakel is uit de schuur verdwenen. Thee? 


vrijdag 1 oktober 2021

Het zadel - marktplaats.

Voor onze oude windhond Jip wilden we een bakfiets kopen. Dat klinkt of hijzelf ermee wil gaan fietsen, dat is niet zo, hij wordt passagier. Die bakfiets is er inmiddels. Via marktplaats gevonden. Er zat een lelijk zadel op, dat wel. Bovendien was het stuur ontzettend scheef. Peter zou de stuurpen vervangen en ik zou via Marktplaats een Brooks-zadel proberen te scoren. 

Omdat het wel een beetje leuk en betaalbaar moet blijven probeerde ik in de buurt zo'n zadel te zoeken. Dat lukte. Eén van de adverteerders reageerde op mijn bod (communicatie is lastig voor veel kopers/verkopers, helaas). Ik sprak een tijd af en tegen de avond reden Peter en ik naar de verkoper. 

Het adres bleek een flat waar ouderen in wonen. Ik stapte alvast uit, Peet ging een parkeerplaats zoeken. Het was ondertussen al aardig donker geworden en ik voel me altijd wat ongemakkelijk bij de ingang van een flat. Geen idee waarom. Eén glazen buitendeur was er, waarachter veel postbussen zichtbaar waren in een hal, en ik zag trappen. Mijn ogen gingen over de huisnummers, zagen de camera erboven, en ik drukte prompt op de verkeerde bel. Drukte daarna op de goede bel. De glazen deur zwaaide open. Ik stapte het portaal in, keek naar de trappen, de hal, de liften, nergens iemand te bekennen. Peter had ondertussen de auto geparkeerd en kwam ook binnenlopen. We wachtten, voelden ons een beetje "indringers", hoorden iemand op de trappen naar beneden komen. 

Het bleek een tengere oudere man met een plastic tasje onder zijn arm. Donkerblauwe spencer over zijn overhemd, een beige broek met een scherpe vouw. "Heeft u een zadel te koop?" vroeg ik. Hij antwoordde door te zeggen: hoe komt u binnen? Maar dan in heel plat Gronings. Ik biechtte op dat ik op een verkeerde bel had gedrukt, raakte even mijn borst aan zei mijn naam, en Peters naam. 

Hij reikte in het tasje, zeggend dat er allemaal ouderen woonden, dat er vaak door kinderen op alle bellen werd gedrukt, dat bewoners de deur openrukken, zonder te kijken wie er belt. Ook 's avonds. Dat dat niet de bedoeling was. 

Uit het tasje kwam het zadel, hij overhandigde het met een bijna triomfantelijke blik aan Peter, die zijn duimen even op het harde leer drukte en zei: wat een mooi zadel! De man knikte, zei dat hij het ook nog ingevet had. We gaven hem het geld en hij vertelde dat hij veel slechte ervaringen had met aspirant-kopers: ze spraken af maar kwamen niet. Dat was ook met het zadel gebeurd, daarom was het er nog. Ik vertelde dat ik ondertussen wel een boek kon schrijven over mijn ervaringen met Marktplaats: leuke en minder leuke dingen. "Maar wat woont u hier mooi, alles is zo netjes", voegde ik er aan toe. Dit veranderde iets in zijn houding, hij wenkte, we moesten hem volgen en dan konden we via de kelders en zouden we, kortere route, gelijk achter het gebouw op de parkeerplaats uitkomen. Wij volgden de catacomben in, waar hij, steeds enthousiaster, vertelde over zijn woning. 125 vierkante meter! twee parkeerplaatsen! een ruime kelder. Sleutels kwamen tevoorschijn en hij liet zijn kelderruimte zien die abnormaal groot leek en net zo keurig was als de man zelf: alles leek gerangschikt, gladgestreken en opgeruimd. Wij prezen alles, ook de netheid, waarop hij weer beamend knikte, ons daarna weer voorging door de catacomben van de flat. 

De deur naar de parkeerplaats ging open. Wij dankten hem vriendelijk, ook voor het laten zien van de kelder. Hij stak zijn hand op, wenste ons veel plezier met het zadel en zei, nog steeds in het plat Gronings: en niet komen klagen als je het te hard vindt he? Hij lachte, en wij ook. 



donderdag 10 juni 2021

Ring The Cat

 

We hebben een Ring-deurbel om wat meer overzicht te hebben rond het huis. We misten namelijk nogal eens een pakjes-bezorger. We hebben geen kat, tenminste niet officieel. Maar op de Ring-camera's zien we van alles voorbijkomen, vooral katten. Dag en nacht zijn ze actief, ook met het slopen van merel-nesten die ze zelfs s'nachts vinden. Dit wist ik niet, totdat ik het op camera zag. Ook de vos struint 's nachts door de struiken, of gaat al rond half elf 's avonds zijn rondje lopen, zit gemoedereerd op de parkeerplaats zich te krabben terwijl op de achtergrond de jonge fietsers nog met zomers galmende stemmen en soms met luid knallende speakers langsrijden. 

Nu zat er zonder dat we het wisten ook een roodborstje in de schuur te broeden. Ze hadden een gat in de hoek van de gevel ontdekt, waar de pannen overgaan in de gevel, aan het begin van de goot. Er lag binnen opeens een hele stapel blad op mijn werkbank, en er was ook op mijn werkbank zelf wat gerommeld, een bakje pompoenzaad lag op de grond. Boven de werkbank lag op de muurplaat in de kruising waar een balk van het dak rust ook een "hoopje" troep, maar daar kon ik niet bij om in te kijken, maar ik dacht nog: het kan ook een vogelnestje zijn! Toch, ik meende dat een marter bezig was geweest, zoveel troep lag er, en ik zette de wildcamera een paar nachtjes in de schuur: niets. Ik ruimde de rommel op, maar het bleef een beetje blad "sneeuwen" al was de ergste bende voorbij.  

Niets meer gemerkt, ook geen aandacht meer aan geschonken. We badmintonnen vrijwel elke dag in de schuur, rijden de auto of de maaier naar binnen en buiten, hebben de werkbank een andere plek gegeven en de kastjes die erbij stonden weggehaald. Kortom, er wordt vrijwel elke dag in die schuur door ons gerommeld. Daarom was ik zeer verbaasd toen ik twee kleine vogeltjes tegen de schuurramen aan zag fladderen: dus toch een vogelnestje!  Ik pakte snel de eerste en met de andere hand de tweede en liep naar de openstaande schuurdeuren: een fladderde naar links en de andere naar rechts, wat mijn moederhart zeer deed: blijf bij elkaar ..... (al weet ik dat ze separaat meer kans maken). 

De dagen hierna bleef het druk. In de schuur piept er nog heel wat maar niet vanuit het nest en de ouders vliegen van hot naar haar, ook in de schuur om de laatbloeiers te blijven voeden. Hoe ik ook heb gezocht, ik vond de kleintjes niet (wat niet vreemd is want de schuur is enorm en bovendien staat er veel hout, tuinspullen en meubilair opgeslagen), maar de ouders vinden hen goddank wel want het gepiep houdt nu al een paar dagen aan. 

Nu rinkelt telkens de bel, want er lopen zoals ik al zei veel katten. Die katten heb ik sowieso geen goed gevoel over: twee zijn langharig maar onverzorgd, mager, wondjes en dan zijn er nog een stuk of vier. Hoe moeten de vogeltjes daar tegen opgewassen zijn? Nou, de Ring-camera helpt. En dat is maar goed ook want de katten lopen nu sinds een paar dagen de schuur in (wat ze voorheen nooit deden), waarschijnlijk horen ook zij het roepen van de jonge vogeltjes. Zodra ik het alarm hoor rinkelen schiet ik al in mijn sloffen, ren naar de schuur, hoor van verre al het paniek-geluid van de ouders-roodborstjes, en jaag alleen al door mijn voetstappen de kat weer naar buiten. De katten zijn schuw, lopen laag als tijgers in het wild voor me uit, kijken meestal nog wel een paar keer om, en zijn duidelijk "not amused". Het bizarre is, ik heb nog met ze te doen ook, vooral met de rode langharige, die er het meest gehavend uitziet en daardoor aan de touwtjes van mijn hart trekt. 

Verstoor ik nu de natuur? Of help ik de natuur? In ieder geval help ik de roodborstjes. 




zaterdag 15 mei 2021

Het spookte - Katendrechtse Lagedijk - Tarwebuurt.

 

Elke morgen kijk ik naar de camerabeelden van de nacht. Zoals bij veel mensen hangen er tegenwoordig wat camera's om het huis, niet omdat we bang zijn voor inbrekers, maar we hebben diverse toegangsdeuren en soms staat een pakketbezorger voor een vrijwel ongebruikte deur en hij/zij heeft geen zin om te naar een andere deur te kijken/lopen, of te wachten, zet het pakket gewoon in de regen of gaat met het pakket in de armen weer weg. 

Die camera's leren ons e.e.a. over het leven rondom het huis als de rest van de wereld slaapt. Niets wereldschokkends, maar het is wel drukker dan we dachten. Reintje de Vos zit vrijwel iedere nacht op de parkeerplaats in zijn vacht te krabben. Soms zie je een egeltje scharrelen, maar vooral (onbekende) katten lopen hier af en aan. We weten nu: een vos en een kat respecteren elkaar, houden afstand. 

Onlangs ontdekte ik iets wat ik niet kon verklaren. De app meldde een waarneming, zelfs aangemerkt als "beweging" in de tuin, maar zonder dat de lamp was aangesprongen. De planten blijven scherp te zien, de druivenplanten, zelfs waar gras over het grit van de oprit heen groeit, spinrag vlakbij de camera wappert zachtjes heen en weer, maar dan is er plotseling "iets" onverklaarbaars. Strepen zijn zichtbaar alsof het opeens verschrikkelijk dicht regent (hek, planten, alles blijft verder scherp), de "wolk" beweegt snel naar boven, naar links en rechts. Het lijkt alsof deze "stofregen" vanuit de grond komt. Ik zag het een paar maal achter elkaar, begreep de beelden niet en zei tegen mijn vriend: het spookt. Hij keek, probeerde van alles te weerleggen, maar de beelden waren onmiskenbaar goed, want de omgeving blijft scherp en zichtbaar, spinrag ... alles is normaal verder, dus geen opname-storing of zo. We snappen de beelden gewoon niet, maar er zal wel een verklaring voor zijn, we hebben het van ons afgezet en het is daarna trouwens ook niet meer voorgekomen. 

Dit mysterie bracht wel mijn oude huis in herinnering, waar ik mijn eerste levensjaren doorbracht: in het toen nog wat landelijke Rotterdam Zuid. De enorm lange Karendrechtse Lagedijk werd doorsneden door de Pleinweg wat zo'n beetje de drukste weg was van Rotterdam, dus wij bleven als kind altijd aan de kant waar ons huis was: de Tarwebuurt.  De huizen waren hoog, drie woonlagen en in de punt een zolder waar kolen werden opgeslagen en waar zowel de mensen van de eerste woonlaag als de tweede (wij) een extra kamer hadden, van elkaar gescheiden door een doorgang waarin mijn moeder later haar wasmachine had staan en de kolenhokken. In het midden van deze doorgang was een dakraampje dat enig licht wierp in deze verder knap donkere zolderruimte. 

Wij speelden op die zolder. De kamer op het eind van de buren was op slot, de kolenhokken waren gemaakt van een hoog lattenwerk en als je je gezicht tegen de latten drukte kon je door de openingen de duistere zwarte kolenberg zien liggen. Tegenover die kolenhokken was het breder en stond op de houten vloerplanken de elektrische wastobbe (een schoep ging heen en weer, je moest er zelf heet water ingooien) en de wringer, en daar rechts van was ook het enige raampje. 

Op een gegeven moment was er iemand, ik heb hem altijd: "een witte man" genoemd. Mijn zusjes waren ouder, hadden wellicht wat minder fantasie dan ik, maar ook zij zagen "een man" in witte kleren. Wij wisten: witte overall dat betekent: schilder. Mijn vijf jaar oudere zus zegt nu nog steeds: hij ging het raampje uit. Mijn tweede zus weet nog: we vertelden het mama en die zei: dat kan niet, want ik ben aldoor in de keuken geweest en er is niemand langsgekomen, ook niet bij de buren (die dezelfde trap naar zolder gebruikten en langs onze keuken hadden moeten lopen). Mijn moeder liep naar de zolder, deed het raam open, keek naar buiten of er ergens schilders op de daken werkten. Dat was niet zo. Trouwens, het raampje kon alleen van binnenuit open gemaakt, en niet weer van buitenaf dichtgedaan worden. Het was voor haar alsof wij wat hadden verzonnen, maar wij drietjes hielden (tot op de dag van vandaag) vol: er was een witte (of wit geklede) man. En het was niet de buurman, want die kenden we uiteraard. 

Dit voorval bevestigde de gevoelens van mijn moeder, die altijd al zei dat het huis waarin we woonden niet pluis was, en dat het er spookte. Niet dat ik daar iets van voelde of meekreeg. Ik was er kind, speelde, vocht soms (en sloeg eens een op de trap naar boven komend buurkind (welk ik aanzag voor haar zusje) met een stoffer zo hard dat het kind helemaal naar beneden tuimelde. Dat is wel een "dingetje" geweest tussen de buren en mijn ouders), groeide op totdat ik negen, misschien net tien jaar was en verhuisde toen naar het veel groenere Zuidwijk. Wel kan ik me nog veel herinneren van deze eerste jaren. De smaak in mijn mond van ziek-zijn bijvoorbeeld, een smaak van ozon en buitenlucht. Of de hitte van het zinken plat voelen aan mijn voetzolen. De bedompte lucht van uitkokende was ruiken. Of dampende regen zien op de zongestoofde trottoir-tegels. Sommige herinneringen vervagen niet, reizen al die jaren mee: in de geur van seringen of meidoorn, of geur van regen, etc etc etc. Wat de spoken betreft, die reizen blijkbaar ook met je mee, waar je ook heen gaat en hoe oud je ook mag worden. Het zijn geen vervelende gasten, integendeel, ze vegen alleen verleden, heden en toekomst bij elkaar, zetten je op een verkeerd been, of laten je op zijn minst met een gevoel van verwarring achter. 

 


woensdag 28 april 2021

Ineke den H.

Na alles gedaan te hebben wat nu eenmaal elke morgen moet dwaalden mijn gedachten vrijuit, terwijl ik aan mijn thee nipte die nog te heet was. Achter het raam de uitbundige magnolia, die, vijf, zes meter hoog, de straat en het huis versiert. Op het gras de afgevallen bladeren, witroze fluweel in het groene lentegras. 

De zon schijnt en straks ga ik even een eindje anti-depressie-corona-rijden en mijn volgende gedachte was aan "ooit" toen ik nog naar mijn moeder kon lopen, of met mijn vader kon praten die deze week honderd jaar geleden geboren is. Wat zou hij zeggen. Wat zou hij van deze wereld vinden? Van Covid-19? Van mijn moeder weet ik het eigenlijk wel, zo lang is zij niet weg en haar optimisme en haar aanpassingsvermogen waren groot. Maar mijn vader .... die zou zorgen hebben over de wereld zoals die nu is, met name over de achteruitgang van de natuur, zou dat in relatie zien tot wat er nu gebeurt met dit klote-virus.  


In gedachten liep ik de lanen van mijn jeugd, wat eigenlijk meer straten waren. Handen over de dichte ligusterhagen of langs de tralies van een groot hek.

Er schiet vanuit het niets opeens een naam te binnen: Ineke den H.....! Even ben ik stil want verbaasd over de wonderlijke geest. Ineke den H...... ! 


Geforceerd probeerde ik een tijdje geleden (voor de zoveelste keer) haar achternaam te herinneren, maar het lukte niet, niet via Facebook, of LinkedIn, niet via Google Maps of andere sites. Iets met een O, Molenaar? Ik zocht op Molenaar in combinatie met straatnaam en vond veel vrouwen, ook een vooraanstaand arts en even hoopte ik dat dit “mijn” Ineke was, dat zij een briljante geest was gebleken, maar in de foto herkende ik niets bekends.


En nu, nu de zon schijnt en ik staar naar een straat die het tegenovergestelde is van de straten uit mijn jeugd, herinner ik me haar achternaam. Haar beeld bleef me al die jaren wel helder bij: klein, sluik haar en een smal gezicht, mager, katoenen grote jurken die misschien van een grote zus waren? en als ik eerlijk ben met de geur van armoede om haar heen. Een sterke bril, waarachter kleine oogjes. Ze werd gepest, ook dat. 

Ze mocht vaak op mijn rug nadat ik haar had opgehaald om naar school te gaan, en toen ik ging verhuizen beloofde ik haar vanuit een sterk gevoel van verantwoordelijkheid (ik was tien jaar en vocht als Ineke gepest werd): dit is niet de laatste keer dat jij op mijn rug zit.!


Zoals dat gaat vergeet je zulke plechtige beloftes niet, vroeg ik me vaak af wat er van Ineke terecht gekomen is. Zelfs liep ik (lang geleden alweer) bij een bezoek aan Rotterdam nog eens door haar straat en zocht ik naar een bekend naambordje, maar vond het niet. En het leven ging gewoon verder. Toch dacht ik nu en dan aan haar. Deze weken zat ze dus zelfs regelmatig op mijn rug, omdat ik haar achternaam niet meer kon herinneren, en zojuist heb ik haar eindelijk (zo voelt het althans) na vijftig jaar, op haar eigen benen gezet.





zondag 28 maart 2021

De melkboer.


"Daar is de melkboer" zei mijn moeder. En ja hoor, achter de ramen zagen we zijn wagen staan. Terugdenkend weet ik niet meer hoe die wagen er uitzag, wel dat er iets aan de zijkant "open" stond of open was.

We woonden sinds mijn 11e jaar in IJsselmonde, ook daar kwam de melkboer, net als op de Katendrechtse Lagedijk, aan de deur. De nieuwe melkboer was een lange man met zwart glanzend haar dat met een of andere "pommade" onder controle werd gehouden. De melkboer was aardig, maakte grapjes, maar hij had zo zijn eigen gedragsregels. Als de man belde moest er snel worden opengedaan, je kon hem niet lang laten wachten, en er was niet zelden een lichte paniek omdat mams portemonnee niet op zijn plek lag (in de keukenla). En de bel rinkelde weer ..... soms holde een van ons om de voordeur al open te doen terwijl mama haar portemonnee nog zocht. Anders reed hij misschien al weer weg. 

Voordeur open, boter, eieren, melk ..... en dan liep de melkboer met het Tomado-rekje waar zes melkflessen in konden naar de kar en kwam terug met de bestelling. Dan zei hij: het is zoveel gulden en zoveel cent. Mijn moeder wilde het liefst gepast betalen want we wisten: hij trok de schuin over zijn schouder hangende zwart leren tas die als geldbuidel diende iets naar voren, graaide erin, gaf een handje kleingeld terug en vertrok direct zonder dat je tijd had om het na te tellen. 

"Wel verdorie" zei mijn moeder, het geld natellend, "heeft hij weer een dubbeltje te weinig terug gegeven"! Mijn moeder wist uit ervaring: altijd een dubbeltje te weinig. Ditmaal was hij niet snel genoeg weg en mijn moeder wenkte hem waarop hij terug naar de deur kwam. Ze opende haar hand, wees, telde, en zei: "je hebt me weer een dubbeltje te weinig teruggegeven!"

Hij keek haar even strak aan. Trok de geldtas naar voren, pakte er een dubbeltje uit en smeet dat met aardig wat kracht de hal in, draaide zich om en liep naar zijn kar. Mijn moeder verbluft achterlatend. Niet dat het voorval tussen hen beiden iets heeft uitgemaakt, de melkboer bleef melk bezorgen, mijn moeder bleef het geld natellen. Later heb ik zelfs mijn eerste auto van deze melkboer gekocht, een Simca 1000 GLT. Dat bleek niet slim en heeft me veel meer dubbeltjes gekost dan mijn moeder ooit van hem heeft teruggekregen.



zondag 28 februari 2021

Katendrechtse Lagedijk 123 en 115.

 

Wat me drijft weet ik nu even niet, maar regelmatig lig ik 's morgens op een yogamatje oefeningen te doen. Wat pilates, wat yoga, wat tai chi en qi gung. Van alles wat. Ik heb een lekkere dikke oefenmat, en daarop ook nog een wollen matje, wat niet slim is als je wat meer grip wilt hebben, maar wel lekker is voor de warmte als je op je rug ligt. Hoe dan ook, vooral die warmte leidt tot afdwalen. 

Ik weet uiteraard niet wat andere mensen denken of ervaren als ze oefenen, of mediteren, maar vaak heb ik als ik mijn oefeningen doe een andere tijd-ruimte waarneming. Niet in de opwarm-ronde, dan lig ik nog te mopperen op het leven dat van me eist dat ik in conditie blijf (waarom doe ik dit, waarom blijf ik niet langer in mijn bed liggen, niemand vraagt van me dat ik dit doe, waarom waarom waarom .....etc. ). Maar als ik die eerste ronde gedaan heb (op de grond liggend fietsen en zijwaarts liggend been heffen), dan komen de "stille" oefeningen. Er komt een meditatieve rust over me en mijn geest gaat dwalen terwijl mijn lichaam vrijwel automatisch (maar toch ook weer niet) yogaposities inneemt, ik traag van de ene naar de andere positie overga. Ontspan.

Dit is een lange inleiding om te vertellen dat ik kan vliegen. Als kind kon ik het al en stortte ik ook regelmatig neer. Niet alleen als ik in mijn bed lag en met grote snelheid tussen de huizen door vloog, maar ook in het echt, als ik, zo hoog mogelijk op de trap staand, mij zo ver mogelijk voorover boog, gesteund aan de linkerzijde door de trapleuning, aan de rechterzijde door de wand: ik hing boven het trapgat! Een positie die ik zo lang mogelijk vasthield, maar dan zwiepte ik mijn benen naar voren en sprong het laatste stuk naar beneden. Dat ging negen van de tien keer goed, en soms deed ik me een beetje zeer maar nooit zo erg dat ik het de volgende keer niet weer deed. Neerstorten, opstaan. Nooit wat gebroken. 

Maar vanmorgen deed ik dat hangen en springen weer, alleen lag ik in werkelijkheid op mijn rug, op mijn warme yogamatje. Ik hing, slingerde mijn benen naar voren, sprong naar beneden en belandde op de jute traploper in het huis waar ik mijn jongste jaren heb doorgebracht: Katendrechtse Lagedijk 123a. Er stond geen fiets of brommer op het laatste stukje gang naar de voordeur, dus de sprong was mogelijk! Hoppa, de deur ging open en ik stond op de stoep van ons huis. Er scheen geen zon, het was "neutraal". Ik besloot een blokje om te gaan: naar rechts langs de school, direct weer naar rechts, en weer naar rechts: de Wolphaertsbocht, langs de slager waar de geur van dood hing, karkassen van de arme dieren hingen maar waar ik toen geen verdriet maar wel een verontrustende fascinatie voor voelde, langs diverse huizen en winkels en zelfs langs een winkel waar "aangeklede" papegaaien in het raam stonden. Zo noemde ik dat toen althans. Weer naar rechts (Hellevoetstraat?) en weer naar rechts: ik stond weer aan het begin van de Katendrechtse Lagedijk waar deze overging in de Gaesbeekstraat. Rechts van me resten van een treurige molen, verlaten en verwaarloosd. Het spookt er en ik kijk vandaag niet door de beschadigde pitriet zonwering naar de donkerte binnen dat verhaalt van voorbije levens, noch kijk of ruik ik de krotenkokerij aan de overkant die in mijn geheugen vooral met winter en dampende ketels verbonden is. Nee, ik huppel zo licht als lucht de hol op naar mijn eigen huis, de zon schijnt nu, huppel naar waar mijn moeder altijd is, en mijn oma, zusjes, en er thee wordt gedronken misschien zelfs met een kaakje erbij....... langs Jacob's de sigarenboer waar ik Samsom met 'vloetjes' haal voor mijn vader, langs Scheel de visboer (later de patatzaak van Zwaneveld) ik zwaai naar de overkant naar Plonie Mastenbroek. En opeens word ik overvallen door allerlei namen uit die tijd, buren, overburen, vriendinnen van mijn moeder, en natuurlijk de groenteboer die we tante Siet noemden. (Vaag kan je haar in de deuropening zien staan op onderstaande foto die mijn moeder maakte terwijl wij een sneeuwpop aan het maken zijn). 

Ik merk dat ik geen oefeningen meer doe, maar naar het plafond staar. Dit is wat ouder worden is, denk ik: dat heldere terugdenken en herbeleven van jeugd, van schijnbaar onbelangrijke of nietszeggende momenten in je leven, die later juist zo belangrijk blijken. Maar dit is wat ik nu doe: oefeningen die me in staat stellen om elke dag in de tuin te kunnen werken, gezond te blijven zo lang als mogelijk is, en te blijven vliegen door de straten van vroeger, ook dat. Het zou van voortschrijdend inzicht getuigen als ik stopte met mopperen als ik aan mijn oefeningen begin, want er komt vast een tijd dat dat oefenen niet meer kan, maar ik denk dat het zo gaat: pas als je iets kwijt bent of niet meer kan, besef je hoe gelukkig je was toen je het had, of kon. 




Van links naar rechts: Hennie, Tineke, Plonie, Marijke. 
Op achtergrond links: tante Siet de groenteboer.
overigens: nergens een auto! 


vrijdag 12 februari 2021

Sneeuw.

 

Het vriest en de zon schijnt. Het is licht buiten, en soms zelfs oogverblindend. Een heel aangename afwisseling voor de saaie corona-dagen, -maanden die voorbij schuiven als één lange saaie dag. Het ontgaat me welke dag het is, welke maand, en ik vergeet zelfs de mensen waar ik mee omging. En zij mij. Appjes worden minder, er wordt niet gebeld. Vergeten is misschien het juiste woorden niet, het is net of je helemaal niks meer hebt te vertellen, en je weet: zij ook niet. Goddank is er een familie-app, dat scheelt een beetje, vooral als er filmpjes komen van zus haar kleinkinderen.   

Voordat dit winterse weer werd aangekondigd werkte ik sinds september vrijwel elke dag in de tuin. Het is een grote, voornamelijk natuurtuin, ooit aangeplant (een vijftien jaar geleden) en daarna weinig meer aan gedaan, behalve dan dat de paden werden gemaaid. Her en der zieke essen, kapot gewaaide wilgen, omgewaaide populieren, verwaarloosde fruitbomen en bessenstruiken, opschot van honderden berken die een paar centimeter van elkaar af vooral de randen van de vijver markeren, de drie statige treurwilgen zelfs deels verbergen omdat ze inmiddels een meter of acht, soms 12! zijn. Opschot dat andere bomen beschadigt met schuurplekken, etc. etc. Ik vond zelfs een heel groepje kronkelhazelaars dat ik nog nooit gezien had, compleet overwoekerd door "gewone" hazelaars of door beschadiging inmiddels meer rechte takken van onder de entplek dan dat er nog kronkel-takjes waren. Ik zaagde voor zover mogelijk zoveel mogelijk rechte takken eruit, hopend dat de stammen (inmiddels een meter of zes tot acht hoog) bij het vallen niet teveel zouden beschadigen. Dat gebeurde wel, maar het was niet anders. Kortom, het aanzicht van de tuin is behoorlijk veranderd. 

Niet alleen het aanzicht is veranderd, de tuin heeft een andere betekenis gekregen: hij wordt eigen. Waar ik eerst vooral de hand van de planters zag, zie ik nu de tuin een vorm krijgen die bij mij past: met veel stapels snoeihout die beschutting kunnen bieden aan marters, egels en vogels, meer ruimte voor de bomen, minder bramen en wilde rozen, minder gras, wel open plekken om vogels te voeren. Alsof de roodborstjes weten dat ze van mij weinig te vrezen hebben hielden ze me gezelschap. In de grond pikkend waar die door mijn werkzaamheden omgewoeld was. Elkaar wegjagend, ook dat. 

Toen kwam de sneeuw. Werken was onmogelijk maar ik kon wel rondlopen, kijken naar de veranderde tuin. De sneeuw maakte voor mij een zwart-wit tekening van mijn werk, liet zien waar ik het snoeihout nog moest opruimen, maar ook waar de mollen alweer hard aan het werk zijn, waar het ree had geslapen, de fazant had gelopen, de vos, de katten. Overal sporen in de sneeuw, zelfs van vleugels van opvliegende vogels. Ik bracht een vogelvoederhuisje naar de tuin, en hing potjes vet in de bomen, legde appels neer op een sneeuwvrij gemaakt plekje bij de voet van de boom.  

Regelmatig loop ik even door de tuin, zojuist weer. Niet helemaal tot achterin (want daar slapen soms de reeën en ik wil ze niet storen) maar tot daar waar ik nog net de bevroren vijver kan zien. De reiger liep er met grote stappen over het ijs, langs twee ganzen die als tuinbeelden op het ijs zaten te dutten. 




vrijdag 1 januari 2021

1 januari 2021. Familie bezoek ondanks Covid-19.

 

 Gisteren, nee, vannacht reden wij naar huis, ik met een net gekregen oud schilderij op schoot. Mijn vriend en ik waren een tien dagen in quarantaine geweest teneinde oud en nieuw bij zus te kunnen doorbrengen. Het was heerlijk, we vergaten Covid-19 even helemaal, al viel het woord corona uiteraard nu en dan wel. We bakten kniepertjes en oliebollen, kaartten en keken naar de (laatste) oudejaarsconference van Yoep van 't Hek. Oud en nieuw was bijna als voordat het virus de wereld plat legde. Bovendien hadden de honden geen doodsangst omdat er veel minder vuurwerk was afgestoken. Kortom, ik voelde me rijk. 


Ik kreeg van mijn zus voordat ik wegging een oud schilderij overhandigd. Mijn zus had een tijdje geleden een inmiddels hoogbejaarde tante bezocht en deze had mij dit schilderij toebedacht: het schilderij dat bij haar ouders, mijn opa en oma, altijd boven de deur had gehangen: een havengezicht, wat kleine boten, een zeeschip of twee, waarschijnlijk Rotterdam? Een onbekende schilder, staat er Verheul? Ik kan de handtekening niet goed lezen.  

Dit schilderij is, was getuige van m'n kind-zijn, van mijn complete familie, van de discussies tussen de mannen, de vele kinderen en kleinkinderen die zich op 1 januari of tijdens verjaardagen verzamelden in dat piepkleine huis aan de Utenhagestraat in Rotterdam. 
Het hing daar stilletjes, verzamelde de sigarettenrook in een gelige waas, verkleurde de vernis.  Ik bekeek het eens goed, de lijst was door een van de ooms voorzien van een lik witte verf, het doek was wat bobbelig, er was sprake van craquelé en even dacht ik: ik laat het opknappen, opspannen, schoonmaken.
Wegrijdend van het huis van mijn zus en zwager, met dit schilderij op schoot, in gedachten bij opa en oma, rijdend in de nacht door vanuit het niets opdoemende en weer verdwijnende mistflarden richting huis, dacht ik: nee, ik laat het niet opknappen, het is goed zo. 



Waalhaven zegt mijn ex-man. En ik denk dat hij gelijk heeft, gezien de verhalen ooit van mijn moeder dat zij als kinderen in de Waalhaven zwommen, bij Pier zeven. 

dinsdag 29 december 2020

Jane Eyre - de storm Bella.

De regen sloeg tegen de ramen maar het gaf niet. Thuis. Warm. Te eten. Etc. Ik ging een engels boek herlezen: Jane Eyre, een van mijn favorieten. De al te moeilijke woorden sla ik over, want wie heeft ze nodig?  

Terwijl de regen dus tegen de ramen sloeg, de bomen zich bogen tegen het geweld sloeg ik de bladzijden om, werd ik de jonge wees, later gouvernante Jane, voelde ik het geluk van een bijzondere liefde, zat ik met mr. Rochester zijn handen in mijn handen, hoorde ik zijn liefdesverklaring en voelde later wanhoop (want hij bleek al getrouwd terwijl hij verdorie met mij voor het altaar net zijn ja-woord wilde geven!) en vluchtte ik uiteindelijk rond een uur of drie in de morgen weg uit zijn huis, Thornfield, bang als ik was om toe te geven aan de verleiding om met mr. Rochester naar het zuiden te gaan, waar niemand ons zou kennen, niemand ons zou wijzen op onze ongetrouwde staat. 

Ik hield met heel mijn hart van hem, maar ik wilde niet, kon nooit zijn maîtresse worden, moest weg van hem, ergens heen waar hij niet, nee niemand me zou zoeken, of herkennen. Dus ik vertrok terwijl het vage daglicht de lucht kleurde in het oosten, liep door de heide totdat ik bij een bekende weg kwam. Deze leidde naar een dorp waarvan ik de naam kende, dus ik ging de andere kant op, naar het noorden. Een rijtuig kwam achterop en ik vroeg waar het heen ging? De koetsier noemde een naam, maar hij kon me daar niet brengen voor het laatste geld dat ik had (20 shilling). Maar hij zou me meenemen tot zover mijn 20 shilling reikte. 

Hij zette me ergens af waar ik alleen maar heide zag, maar het gaf niet want het was warm, midden juli en ik kon verder lopen, maar waarheen? Het koetsje was al ver weg toen ik me realiseerde dat ik mijn weinige bezittingen in de koets had achtergelaten, en ook het brood dat ik uit de keuken van Thornfield had meegenomen. Twee dagen en nachten liep ik, nu en dan iemand vragend om werk en uiteindelijk ten einde raad: om iets te eten. Slechts eenmaal gaf een boer me een dikke snede van zijn brood, de andere mensen hielpen niet, sloten de deur onverbiddelijk als ik om hulp vroeg. Ik nam het de mensen niet kwalijk, ik zag dat zijzelf arm waren. Steeds zwakker wordend kwam de gedachte op dat ik hier over de velden dwalend kon sterven. De kraaien zouden me opeten en niemand zou mij missen of weten waar ik was. De derde dag, toen het gestaag ging regenen, kon ik me nog amper voortbewegen. De nacht kwam, het bleef regenen en zelfs bij het enige huis dat ik ver op een heuvel had ontdekt omdat er nog licht brandde, ver en amper bereikbaar omdat mijn krachten het begaven, werd de deur resoluut voor mijn neus gesloten. 

Ondertussen zat ik natuurlijk gewoon thuis, in de warmte op de bank. Zelfs de honden liggen hier op de bank, zijn nog nooit buitengesloten, tenminste niet bij mij. Maar de regen sloeg wel tegen de ramen, storm Bella gaf nog niet op, scheurde nog wat takken van de bomen, en blies, bleek later, nog een boompje of vijf in mijn tuin om. Ik las verder. Jane had geen last meer van de storm. Gelukkig kwam de heer des huizes net aanlopen, raapte haar op en droeg haar naar binnen. 



woensdag 23 december 2020

Groningse familie - Appeldoorn - Boes.



 

Mijn telefoon biept continu, in de familie-app komen continu berichtjes met foto's van vroeger binnen. Bij de foto's staan vragen: wie is dit, waar is dat..... Het is soms lastig want de foto's zijn oud, ik ben ook al wat ouder ..... 

Op de oudste foto herken ik mijn opoe, ze lacht naar de camera die vast door mijn oma werd bediend, hoe heette opoe ook alweer ..... o ja, Hinderkie Appeldoorn. Ze trouwde tweemaal, de eerste maal met Boes, waardoor mijn oma ook Boes heet, maar op opoe's graf (Rotterdam-Charlois) staat ook de naam van haar tweede man: 't Gilde. Maar goed, op de foto staan nog wat Groningse familieleden, de namen weet ik niet. Vast tantes of nichten van mijn oma. Links een man met dezelfde wangen als de oudste vrouw op de foto. Op de achtergrond zie ik nog net een stukje van typisch Groningse bouw, en rechts een stukje muur, een dakgoot. Waar was dit? De naam Harkstede, Gorredijk .... maar ook namen uit het Hoge Land vielen vroeger nog wel eens .... dus alles kan.  

Omdat mijn oma veel Groningse familie had, wonend in Rotterdam als alleenstaande moeder met drie kinderen en alleen nog een zakje bonen om te eten, heeft ze het laatste deel van de oorlog hier in Groningen gewerkt/doorgebracht. Dochter Miep van tien? was bij haar. Ze waren er op de fiets heen gegaan, ik heb er al eerder over geschreven: een tocht van een week vol ontberingen. 

Ik blijf nu met een hoofd vol vragen zitten, maar de telefoon bliept weer en daar komen de trouwfoto's van mijn ouders: mooie jonge mensen, vol hoop voor de toekomst want de oorlog was voorbij, de Duitsers weg en de herbouw in Rotterdam was volop aan de gang. Het maakt melancholiek, maar het is ook rijk dat deze foto's er zijn. Mijn moeder heeft namelijk alle fotonegatieven bewaard, ook van die foto's die de fotograaf te vaag vond en nooit zijn afgedrukt. Dus er komt regelmatig een verrassing binnen, soms ook van mensen die je eigenlijk nooit meer had willen zien. Want zo gaat dat. Mooie tijden en minder mooie. 

Mocht er toevallig iemand op deze blog stuiten, iemand die de mensen op bovenstaande foto's herkent .... ik hoor het graag. 




dinsdag 15 december 2020

Een nieuwe lockdown.


Acht miljoen mensen schijnen gisteravond te hebben gekeken naar de tv-toespraak van de premier. Hij was lastig te verstaan door het gefluit en lawaai van de demonstranten buiten. Het irritante lawaai leidde me af, maar het ontging me uiteraard niet wat zijn boodschap was: een nieuwe lockdown en wel tot half januari. Wel mogen we twee mensen met kerst ontvangen. 

We zaten maar een beetje gelaten naar de premier te luisteren. Wij horen niet bij de demonstranten, wij staan er niet te fluiten, maar wij horen ook niet bij de groep die op vakantie gaat, winkelt. 

Op de tv is er aandacht en wordt er veel gesproken over de mensen die het moeilijk hebben: de mensen die zorg behoeven of zorg geven, maar ook de winkeliers, de horeca, de theaters, etc etc. De jongeren hebben het al helemaal moeilijk, want nu zijn ze nog jong en willen ze feesten en om dan beperkt te worden door corona-maatregelen ....... Ik hoor bij een groep waarover weinig wordt gepraat: 65plus, niet alleenstaand, geen zorg behoevend maar wel door het rondwarende corona-virus sinds maart aan huis gebonden.   

"Verdriet en ellende komt vanzelf", zei mijn zwager ooit, er aan toevoegend dat we maar beter tot die tijd ons leven zo goed en zo plezierig mogelijk moesten leven. Het is raad die deze tijd moeilijk is op te volgen. Want verdriet is er. Is het niet om het verlies van de ene vriend, dan wel om verlies of onmacht om iets te doen voor een ander. Blijven hangen in dit verdriet is uiteraard niet de bedoeling, al slaap ik er soms slecht van. 

Ik vind dat ik niet mag klagen. Het is geen oorlog, ik ben geen vluchteling, heb voldoende te eten, geen financiële zorgen, ben gezond en bovendien woon ik ruim, heb ik een tuin, en kan ik met de honden wandelen. Ik hou van tuinieren, puzzelen, lezen, etc. etc. Genoeg om blij mee of dankbaar voor te zijn. Ondanks dit besef sluimert en ontvlamt nu en dan een zekere corona-irritatie in me: ik voel me "beperkt" en erger me aan van alles en dat staat haaks op mijn wens hoe ik in deze leeftijdsperiode mijn dagen wil doorbrengen. "We moeten het uitzitten" zeg ik keer op keer tegen de hoogbejaarde moeder van mijn vriend. En dan knikt ze, of we zien haar voorhoofd nog net een beweging maken, want al belt ze via FaceTime, de iPad op een bepaalde hoogte houden zodat wij haar ook goed kunnen zien vergeet ze soms. In de eerste corona-golf hebben we haar opgehaald en is ze hier twee maanden in huis geweest, maar dat wil ze nu niet meer. Het vervoer is te lastig, ze voelt zich te oud, wil niet tot last zijn, te veel onzekerheden over hulp en zorg. Het feit dat ze hier altijd welkom is vindt ze genoeg. Maar wat fijn dat ze een iPad kan bedienen, ons regelmatig ook zelf belt! He gelukkig, op het eind toch weer een positief puntje erbij, al is het maar het bedienen van een iPad. Tel je zegeningen, en laten we kijken naar wat er nog wel kan, in plaats van wat niet.