vrijdag 5 juli 2013

Denekamp, de zus van Kees Verkerk.


Dit weekend ben ik in Denekamp. Af en toe ga ik energie opdoen via tai chi, qi gong, en ditmaal heet de workshop die gegeven wordt: deep field relaxation, wat ik niet alleen een beetje zweverige benaming vind, maar ik ben ook een type van 'eerst zien, dan geloven'. Ik verwacht een nieuwe ervaring in ieder geval. Bovendien wordt het weekend niet alleen geleid door vriend en goeroe Martin Wessels, maar zijn er twee anderen, Cliff en Galina Sanderson die thuis zijn op het gebied van Healing etc, een terrein waar ik helemaal niets over weet.

Kortom, ik reed vanmorgen al vroeg weg van huis, een beetje verkouden, maar dat mag de pret niet drukken. Het is prettig rustig weer, geen zon, geen regen, niet te koud, niet te warm. Aan weerszijden van de rijksweg in Duitsland lagen de velden kalm en groen te zijn, geen ree te zien, wel veel doodgereden egeltjes, dankzij de wegwerkzaamheden ten behoeve waarvan de weghelften onverbiddelijk en zonder doorgangen voor het dierenleven van elkaar gescheiden zijn door kilometerslange blokkades. In gedachten zag ik de egeltjes scharrelen langs die blokkades, totdat hun voetzooltjes zeer deden, af en toe gepasseerd wordend door een auto.
Rond Nordhorn moet ik van de rijksweg af, en reed ik richting Denekamp. Ik was van plan eerst in het centrum wat te eten en me daarna te melden bij ons overnachtingsadres.

Ik ging zitten op de houten banken die voor het plaatselijke 'grand' café stonden opgesteld. Aan de ene kant van me zaten een moeder en oma, een tweeling in een karretje stond naast hen, jengelde wat. Aan de andere zijde zaten die heren achter het bier, en zo te zien niet hun eerste. Ze draaiden shagjes, becommentarieerden de tweeling en beoordeelden de schoonheid van de moeder toen deze vertrokken, ik bestelde een grote koffie verkeerd en een broodje kroket, met desembroodje.

Over het grote plein kwam een scootmobiel aangescheurd, een rode. Erop een oudere mooie blonde vrouw die 'jodelahieho' riep en zwaaiend aankwam, deed of de scootmobiel niet meer kon remmen terwijl ze op een van de mannen mikte die naast me aan hun bier zaten. Uiteraard remde ze wel, en ze reed weer achteruit, parkeerde het ding en kwam aanlopen, moeizaam zag ik, want aan haar benen kon je zien dat ze niet voor niks op een scootmobiel rondreed.
Ze nam plaats naast de mannen links van mij, ze riep 'hallo moppie' tegen de serveerster en bestelde. Ze wendde zich naar mij en zei: 'let maar niet op mij hoor, ik ben vaak zo druk'. Ik stamelde iets terug, en ik voelde mijn mondhoeken krullen, dit was een leuk mens gewoon.

Ze vertelde dat ze hier vaak kwamen met een groepje vrouwen, aanschoven bij de mannen op het terras, en ze noemde namen en leeftijden, het varieerde nogal. Ze wees op een vrouw die aan kwam lopen: 'kijk, daar heb je mijn vriendin, die in dat oranje jurkje'. Vlot kwam vriendin aanlopen, ook een mooi mens, en in uiterlijk het tegenovergestelde van de vrouw die al naast me zat, donker haar en ogen, maar ook mooi en verzorgd.

Ik schoof een plaatsje op zodat de vrouwen naast elkaar konden zitten. Er werd wat heen en weer gepraat, de blonde vrouw was naar de dokter geweest en de uitslag was goed, ze was opgelucht, maar ondertussen plukte ze ook een beetje onrustig aan een hand die tot ver over de pols in een brace zat.

Ze vroegen of ik met vakantie was in Denekamp waarop ik vertelde dat ik dit weekend in het klooster zat voor een 'seminar' of 'workshop tai chi', het woord 'healing' liet ik maar niet vallen, laat staan 'deep field relaxation'. Ze vonden dat je aan mij kon zien dat ik 'rustig' was, heel mijn uitstraling was rust. Aldus de dames.
'Het zou ook wel wat voor mij zijn', zei de blonde 'maar ik heb nooit rust, ik voel me echt nooit rustig'. 'Tja' zei ik, 'dan zou je juist iets van tai chi of zo moeten doen, dan word je vanzelf rustig'.
De donkere vrouw (71 jaar oud en al 50 jaar getrouwd), niet onbekend met tai chi, beaamde dat.

Ik vertelde dat ik in Veendam woonde (waar de blonde dame bepaald niet onbekend was want ze hadden 50 jaar uit en thuis Veendams voetbal gevolgd), maar dat ik Rotterdamse was en ook in Zwijndrecht had gewoond. De blonde dame kwam uit Puttershoek (waar in de zeventiger jaren mijn man werkte), en bleek in het café, waar mijn man en ik vroeger wel eens kwamen, te hebben gewerkt. Nog gekker, ze bleek een zus van de eigenaar, Kees Verkerk.  Ze liet foto's zien op haar iPhone, filmpjes. Daar zat Kees in Noorwegen, ouder, maar nog duidelijk Kees.

Het leek of zowel de donkere dame als de blonde allemaal linkjes hadden naar mijn verleden. We kenden elkaars leefgebied, wat heel grappig was. De donkere vrouw zei tot drie maal toe dat ik verdomd veel leek op .... die uit Rotterdam kwam. Ik antwoordde dat het met niet verbaasde, dat alle Rotterdammers familie van mij zijn.
Nog even kregen we het over tai chi, en zei ik tegen de blonde vrouw dat het echt heel goed voor haar zou zijn om zacht haar hand en arm te strelen, om de doorstroming te bevorderen. 'En eigenlijk nooit met je benen over elkaar zitten'. Ongevraagde, maar lief bedoelde raad. Ik vond de dames zo leuk dat ik wenste dat ik ook zo'n vriendinnengroep in de buurt zou hebben.

Maar het was tijd om weg te gaan, mijn 'seminar' wachtte. Ik ging betalen en gaf daarna de dames een hand, en ja, ik mocht een foto maken. Dag mooie sterke vrouwen, het was een groot genoegen, echt een groot genoegen. En de groeten aan Kees.







zondag 30 juni 2013

Oostvoorne, toen en nu.



Soms is het fijn om terug te gaan naar een plaats waar je gelukkig bent geweest, in dit geval het strand van Oostvoorne. Ik wist het, ik schreef er al eerder over, het strand is erg veranderd, het was en is al sinds mijn jeugd (en misschien zelfs eerder nog) continu in beweging.
Zoals dat gaat als je ergens al komt sinds je jeugd heb je het gevoel dat de omgeving een beetje van jezelf is, dat het een pijnlijke inbreuk op je privacy is dat ze zonder het je te vragen bijvoorbeeld een heel nieuw havengebied aanleggen. Nou, was het maar havengebied, het is de uitbreiding van de petrolchemische industrie, en er vestigden grote energiebedrijven.

Vroeger reden of liepen we het laatste stukje van de Zeeweg in Oostvoorne richting het Wapen van Marion, en wisten we links de 'hoge duinen', zacht zonheet wit zand waar je tijdens het lopen je voeten kon branden maar waar mooie duinpannen waren om te zitten. Recht voor je uit was vroeger de zee, maar die kwam er alleen nog maar tijdens extreem hoog water, bij het hotel begon 'de boulevard', waar we wel eens rolschaatsten en ooit het hele gebied zwartgeblakerd lag na een duinbrand.

Het was of ik een schop onder mijn gat kreeg toen we vandaag in de richting van het hotel omhoog reden. Voor ons uit strekte een industriegebied uit ZO groot, zo onvoorstelbaar lelijk, dat ik bijna moest huilen.

We reden door, richting wat vroeger het autostrand was. Mijn ogen zochten de betonnen weg die in de oorlog door de Duitsers werd aangelegd. Ik zag hem niet. We reden over een geasfalteerde weg naar het strand, parkeerden bij een houten toren, die dankzij het vergrijsde hout me even deed denken aan de bunkers die her en der in Oostvoorne stonden. De strandtent "De Zeemeeuw" is verdwenen net als het 'autostrand'. 

De toren blijkt een onderdeel van een ecologisch restaurant. Twee windmolens zoeven in de rondte, zonnepanelen op het dak, en in de achtergelegen helling die het hele botlekgebied discreet uit het oog houdt lopen allemaal leidingen die zomers het restaurant koel houdt dankzij de aardwarmte, en 's winters de warmte er uit haalt. Een inspirerend warm aanvoelend gebouw.
Als je naar het uitzicht kijkt, in de verte de zee ziet glanzen, kan je zelfs alle lelijkheid van het industriegebied vergeten, vooral omdat het hooggelegen restaurant in een omhelzing ligt van een grote variëteit hier thuis horende bloeiende planten.

Het restaurant blijkt nog gesloten, maar is een paar minuutjes later open. Wij strijken neer en bekijken het gebouw en het interieur. We geven het een dikke acht, misschien zelfs negen.
Een jonge serveerster met ogen waarin de lucht weerspiegeld wordt maakt ons even later gelukkig met koffie en gebakjes, de laatste o.a. gemaakt van duindoorn en chocolade.

We wandelen wat later in de richting van het strand. In de verte tuimelen de vliegers van kitesurfers in de lucht. Aalscholvers vliegen ongestoord boven ons hoofd in een rechte lijn over en weer. Geen meeuw te zien of te horen, die vinden gemakkelijker voedsel in Leiden waar nog vuilniszakken op straat worden gezet.

Het eerste pad dat we links zien nemen we, richting de duinen. Het is raar, ik kwam hier in mijn vroegste jeugd, en later gedurende mijn leven nog maar af en toe maar het lijkt of er toch een blauwdruk van het gebied in mijn hersenen opgeslagen ligt. Dit gebied zit in mij, hier liep ik als kind, hier liep ik met mijn ouders en zusjes, broertje, later met mijn man, mijn moeder, mijn vriend. De geur van Oostvoorne is mijn jeugd, de geur van meidoorn.

Enorme slakken schuiven over de vochtige paden. Het is stil, totdat een paard met ruiter van ons schrikt en wij een beetje van hen, en er bijna tegelijkertijd een kudde hardlopers voorbij stampt. Dan is het weer stil. Bij een poel hangen we even op een 'hangbankje' luisterend naar de kikkers die hier oorverdovend en verscholen in het hoge riet liggen te kwaken. Als we beginnen te praten houden de kikkers zich verder stil.

Terug bij de parkeerplaats blijkt het druk geworden te zijn. Weer strijken we neer bij het restaurant, maar ditmaal nemen we plaats aan de enorme tafel op het terras, de zon is gaan schijnen en we vragen de lunchkaart.
Rechts van ons neemt een stel plaats dat ook om de lunchkaart vraagt. De man vertelt de vrouw dat het duingebied wereldberoemd in om zijn flora en fauna. (Dat weet ik, dat zei mijn moeder ook vaak tegen me).  
'Biologen uit heel de wereld komen hier', vervolgt de man tegen zijn vrouw, die alleen 'o ja'? zegt en dan naar de wc vertrekt. De man leunt terug in zijn stoel, en ik bekijk hem eventjes. Een natuurvorser zo te zien: een beige jas zonder mouwen maar met veel zakken, een dito broek en stevige schoenen. Bruinverbrande armen en hoofd onderschrijven het etiket van natuurliefhebber dat ik hem net gaf. Wel een erg chagrijnig hoofd, denk ik nog.
Opeens schiet de man naar voren en kijkt naar iets op de tafel voor hem: een glanzend kevertje. De man bedenkt zich geen seconde en piekt met een resoluut gebaar knetterhard het beestje van de tafel af, daarbij met een harde 'knets' meer de tafel rakend dan het diertje. Het diertje tuimelt een halve meter bij hem vandaan en de man staat op, buigt zich over de tafel heen en mikt weer: piek, zeker even hard maar ditmaal beter gemikt schiet hij het kevertje weg.
Nu het insectje, wellicht vermoord maar in ieder geval uit 'natuurvorsers' blikveld is verdwenen zakt mijnheer weer terug in zijn stoel.  Er wordt door de serveerster soep voor zijn neus gezet en tegelijkertijd komt zijn vrouw ook weer aan. Ze gaat zitten: 'he lekker' en 'wat is het hier mooi he?' hoor ik haar zeggen terwijl ze de zware terrasstoel schrapend vooruit probeert te schuiven. De man zegt niets terug, pakt zijn lepel en begint aan zijn soep.