dinsdag 5 februari 2013

Een fraai schoteltje.


Ik dacht dat ik de laatste tien jaren alles dat nog van vroeger in het huis van mijn ouders lag wel een keer door mijn handen had gehad. Een tekening, een briefje, kaarten, een babyhemd. Talloze foto's. Ook de kindertruien die mijn moeder voor ons had gebreid, en die ze niet weg had gedaan, waarschijnlijk omdat het niet ongebruikelijk was dat mijn moeder de truien uithaalde en de wol opnieuw gebruikte. Alles sorteerde ik, handgemaakte kleedjes bij elkaar, borduurwerk allemaal in hetzelfde kamertje/kastjes, brieven en kaarten allemaal in doosjes bij elkaar. Maar ik nam de dozen met breiwerk niet door, ik stapelde ze alleen maar en dacht dat ik wel zo'n beetje wist wat er allemaal in dat huis van mijn moeder rondzwierf.

Toch was ik van de week verrast. Mijn zussen hadden de titanenklus op zich genomen om alles wat met patchwork, breien of borduren te maken had mee naar huis te nemen en het daar uit te zoeken. Oude breiwerkjes, restanten wol, breiwerk waar mijn moeder nog aan bezig was, etc. etc. Een paar auto-vrachten vol. Marijke had van alles tussen de wol gevonden, soms een zilveren gulden of rijksdaalder, wat fotootjes, zelfs een muizenskeletje.

Mijn zussen en broer kwamen afgelopen dinsdag om verder het huis van mijn moeder leeg te ruimen. Marijke zette een schoteltje met een bijna triomfantelijke blik op tafel: kijk eens' zei ze, 'ken je dit nog'? Gevonden in een van de dozen, tussen de wol.
Zodra ik het schoteltje zag herkende ik het. Maar ik was het tot dit moment vergeten. Knisperend en hard voelt het oude lint aan dat door de rand geweven is. Blauw, dat werd voor de rest van mijn leven mijn kleur, had mijn moeder toen beslist omdat ik van die witblonde haren had.
Een foto van mij, zittend in de duinen (van Oostvoorne, gok ik) is rond uitgeknipt en in het midden op het schoteltje geplakt. Aan de achterzijde zit een zo te zien niet door de tijd aangetast geel koordje, daaraan hingen die schoteltjes op de schoorsteen van ons huis aan de Katendrechtse Lagedijk. Later, na een verhuizing, kochten mijn ouders allemaal moderne meubelen, daar pasten deze wandschoteltjes waarschijnlijk niet meer bij. Vier zijn er. Twee met foto, twee zonder. Van een van de schoteltjes lijkt de foto afgehaald, en Hennie zegt: die foto heb ik waarschijnlijk thuis. Mijn broer was een nakomertje, het schoteltje was wel gekocht, maar van een foto van hem erin plakken is het nooit gekomen.






zondag 3 februari 2013

Beverwijk - Paultje.


Zondagmorgen. Peet en ik ontbijten. Op de tafel tussen ons in staat nog een deel van de ingrediënten: yoghurt, diverse ongebrande noten, pijnboompitten, rozijnen. Het gesprek komt op polyfenolen en flavonoïden. Dat komt omdat we trachten zo gezond mogelijk te ontbijten, en we vroegen ons af of in de rozijnen ook nog de kracht zit waar druiven zo bekend om zijn. Of liever gezegd, de druivenpitten. Ik ben bang van niet, maar goed, daar hebben we Wikipedia voor, en ik sla mijn laptopje open.
Voordat ik een zoekterm intyp schenk ik een kopje thee in, kan dat mooi afkoelen terwijl ik de informatie opzoek. 'Wil jij ook nog thee'? vraag ik aan Peet.

'Nee', zeg ik tegen Peet's uitgestrekte arm, 'zet dat glas maar even op de tafel, anders moeten we vandaag misschien nog helemaal naar Beverwijk rijden'.
Mijn vriend zet het glas op tafel en ik schenk de kokend hete thee in.
'Wat bedoel je met 'Beverwijk', vraagt mijn vriend, 'daar zit toch de zwarte markt'?
'Jawel', zeg ik, 'maar ik bedoel het brandwondencentrum Beverwijk, daar moest je vroeger heen als je brandwonden had, of naar het Zuiderziekenhuis in Rotterdam'.
Mijn gedachten dwalen af.

Het was zondag en we gingen met z'n allen, mijn vriendin Marrie, haar man Chris, en hun beide zonen Maarten en Paul naar de tweedehandsmarkt in Beverwijk.
Onderweg besloot Paul, toen nog een klein maar zeer onderzoekend mannetje, hoe snel de sigarettenaansteker warm werd (het zal zo'n aansteker/asbak zijn geweest die tussen de voorstoelen gemonteerd zat). Die was sneller heet dan hij dacht en hij gilde, aan zijn hand zag ik nog even de aansteker vastgekleefd zitten, voordat hij het ding losschudde.
"Stoppen!" zei mijn vriendin, en de auto werd meteen door Chris op de vluchtstrook/berm gezet. Even verderop was een sloot, en wie er met Paul heen holde weet ik niet meer, zijn vader of moeder, of misschien wel beide, maar even later zat Paul met zijn hand in de sloot. Lang.
Een plasticzak werd nog met slootwater gevuld en zo reden we verder terwijl Paul zijn hand nog steeds kon blijven koelen.
Geen idee of hij er een litteken aan heeft overgehouden. In ieder geval zal hij het voorval nooit vergeten zijn. Het duurde even voordat we over de schrik heen waren, maar vonden het frappant dat we onderweg waren naar Beverwijk toen dit gebeurde, durfden pas een hele tijd later daar grapjes over te maken. Overigens, volgens mij heeft Paul geen traan gelaten.

'Zou jij je hand hebben gekoeld met slootwater'? vraag ik nu aan Peet. Of nee, laat ik eerlijk zijn, ik zei, wetend dat hij (terecht) niet dol is op onbekend wellicht vies water': dat zou jij niet gedaan hebben, dat koelen met slootwater'. Hij peinsde even, zei: 'dat weet ik niet'. Ik ook niet.
We dronken onze thee, lazen over de kracht van flavonoïden (als dit linkje indrukt, zie het hoofdstukje over 'voedsel') en waren blij dat we niet naar Beverwijk hoefden, maar gewoon straks lekker dichtbij in het bos met de hondjes kunnen gaan wandelen.

Fijne zondag, rij voorzichtig, denk aan Paul.