woensdag 12 april 2017

Post NL - of geen post nl.


Ik moet een pakketje versturen. Dat is geen kleinigheid als je ergens buiten woont. Ik heb gezocht of er in Winschoten een agentschap van Post NL zit. Er zit er nog eentje, in een zaak die kantoorartikelen verkoopt.
Het is er stil, een eenvoudige opstelling van wat bureau's, kantoorstoelen. Aan de wand een lang rek met kopieerpapier, enveloppen, verpakkingsmateriaal. De verlichting is schaars. Twee dames liepen net voor mij naar binnen en worden nu geholpen. Ze hebben problemen met de verhuis-service van de post. Alles moet via internet, en de dames zijn al wat ouder .... De dame van het agentschap haalt haar schouders op, het is niet anders, zo gaat dat tegenwoordig. De dames druipen af.

Ik ben aan de beurt. Mijn pakketje staat al op de weegschaal. Ik betaal en mopper ondertussen op de service van Post NL. Vorig jaar heb ik namelijk twee maal een klacht ingediend omdat ik het schandalig vind dat de brievenbussen overal worden weggehaald. Op de eerste klacht reageerde niemand. De tweede maal werd ik teruggebeld. De vriendelijke medewerkster zei dat er op haar papieren stond dat ik binnen 700 meter een andere brievenbus kon vinden. Ik vertelde haar dat dat niet waar was. De dichtstbijzijnde brievenbus staat hier zo'n 10 autominuten vandaan. Als test heb ik met de fiets een brief gepost in een nabijgelegen dorpje. Er stond een pittig windje. Ik deed ruim een half uur over het ritje, en toen moest ik ook nog terug.
Dit vertelde ik de medewerkster. Zij zoekt in haar computer nadat ik mijn postcode heb opgegeven en vind geen brievenbussen in de buurt. Nee, dat had ik al verteld. Ze noteert mijn klacht en voegt daarbij mijn opmerkingen dat ik navraag heb gedaan bij de gemeente en dat de ambtenaren ontkennen dat Post NL de brievenbussen heeft verwijderd in overleg met de gemeente. Post NL vermeldde ook dat er geen brievenbussen zouden verwijderd worden op plekken waar mensen oud, slecht ter been/invalide waren, of geen vervoer hadden. Ook dit klopt niet want in dit straatje wonen in verhouding veel mensen boven de 65, invaliden, en zelfs mensen zonder internet.

In twee regeltjes vertel ik dit nu aan de medewerkster van het agentschap. Ze zegt: alles is zo zakelijk geworden. En ik voeg toe: zeg maar rustig onmenselijk. Dat beaamt ze en betreurt ze: 'Vroeger' werd er veel meer rekening met mensen gehouden, nu draait alles om geld. Ondertussen stickert ze mijn pakje, betaal ik met mijn pasje, en zet ze het pakje achter haar neer.

Ondertussen schuifelt een heel oude man naar de balie en hij vraagt in het Duits of hij naar het toilet kan. Een walm van sigarenrook als een cocon om hem heen. Nee, zegt de medewerkster, maar u kunt naar het toilet bij de Hema. De man begrijpt niet wat ze bedoelt dus zegt ze, nu iets harder en naar het licht van de ramen wijzend: DE HEMA! De man vraagt nogmaals wat ze bedoelt en weer wijst de vrouw en roept: DE HEMA, nu een stapje naar de deur doend, wat specifieker in de richting van de Hema wijzend. De man loopt moeizaam naar de deur en verdwijnt, nagekeken door ons. Ik kijk naar de vrouw, de balie tussen ons is leeg, er is verder niemand, de winkel zwijgt. Ze ziet mijn blik als kritiek en zegt: 'het kan echt niet, vroeger mochten de mensen gebruik maken van ons toilet maar het kan echt niet meer'.
'Drugs?' vraag ik. Een hand maait door de lucht: 'praat me er niet van'. Ik zucht om al die verloren menselijkheid, de oude man was duidelijk een roker, geen drugsgebruiker. De vrouw achter de balie knijpt haar lippen strak op elkaar, vastbesloten en zeker van haar gelijk.
Ik stop het verzendbewijsje in mijn zak en loop door de stille zaak naar de buitendeur. Buiten is het lente. Een stukje verderop zie ik de oude man lopen. Hij loopt niet echt in de richting die de vrouw had gewezen, ik wacht even om te zien of hij wel de goede kant op gaat. Hij staat even stil, kijkt om zich heen, zoekend, slaat dan een smalle steeg in naast de groenteboer.

Een stukje van een gedicht van Guido Gezelle over de lente schoot me te binnen zonder dat ik precies kan benoemen waarom, maar het heeft iets te maken met kwetsbaarheid en dat alles voorbij gaat ('om't gene ik late vare, om 't gene ik vangen kan'). Mijn oma van moeders kant bewonderde hem en schreef zijn gedichten over, beverige smalle letters in een vergeeld schriftje:

L E N T E G R O E N      

't Is lentegroen genoeg,
voor honderdduizend oogen;
     eilaas, 'k en hebbe er ik,
     o grondig groene zee,
          maar twee:
wie kander moedeloos,
den dwang mij doen gedoogen
     van 't geen mij tegenhoudt
     nen tocht in al dat groen
          te doen.
Gij vlerkendragend volk,
gij allerhand gezwinde
     doorvliegers van de lucht,
     de lieve lente lacht
          zoo zacht;
en gij, gij vliegt haar in
't gemoet, bij lork en linde,
     in 't nieuwgeboren gers,
     in 't onkruid en in 't riet:
          ik niet!
Gij bietjes ongeteld,
gij tienmaalhonderdduizend
     in 't rood, in 't geel, in 't blauw
     gepinte pepels, haait
          en draait
en drentelt, op en neêr,
eer 't zonnelicht, verhuizend
     van hier, u, 't lieve groen,
     en mij, de moede nacht
          ontkracht!
o Grondig groene zee,
'k ben visschende op de baren
     van uwe oneindigheid
     van groen, en mijn gewin
          daarin
verheugt mijn arem herte:
om 't gene ik late varen,
     om 't gene ik vangen kan,
     en..... God gebenedijd
          mij zijt!






donderdag 2 maart 2017

Een katje dat Meisje heet.


Ze kijkt me aandachtig aan. Voor het eerst staan we oog in oog en ze vlucht niet. Ze heeft haar ogen iets geloken en hoest. Eén oog is snotterig en is half dicht. Ik hou een bakje kattenvoer voor haar neus en ze begint direct te eten, schrokkend. Mijn vrije hand leg ik op haar zij en ik voel de ribben direct onder de veel te dunne vacht. Ze is koud ondanks dat ze een goed plekje heeft gevonden in een oud kapot dekbed dat ik in een doos onder het afdak had gezet. Ze schrikt niet van mijn hand, en heel voorzichtig streel ik haar. Het voerbakje zet ik weg en nu leg ik mijn handen zowel links als rechts zachtjes op haar ribbenkast. Ze begint te snorren. Ik denk na of ik haar kan beetpakken, als ze weer vlucht is ze misschien verloren.
Ik blijf haar een tijdje strelen en ze blijft rustig liggen, te rustig voor een schuw katje. Heel voorzichtig til ik haar op en leg haar tegen mijn borst, niet verstandig want ik ben eerder door een kat in mijn gezicht gekrabd maar goed, ze ligt er al. Zo blijf ik een tijdje staan, haar zachtjes strelend, verbijsterd door haar slapte en de koele temperatuur van haar lijfje. Op haar rug en flank kijk ik dwars door het dunne haar heen en zie ik de geschramde huid. Ik denk ondertussen na waar ik haar het beste heen kan brengen.

Langzaam loop ik naar de keukendeur, open, dicht, we zijn binnen. Enthousiast komen de honden aan stuiven en ik voel het nietige lijfje verstrakken. "Terug!" zeg ik, en Jip keert om, Moon staat nog even kwispelend te kijken, keert dan ook om. Ik sta nog steeds stil met het katje op mijn borst. Heel traag doe ik alles, de deuren open, dicht, voetje voor voetje totdat ik in de werkplaats ben, deur dicht en ik zet het katje neer, opeens knallend van blijdschap. Gelukt! Buiten slaat de regen tegen de ramen maar Meisje is eindelijk veilig en warm. Ze verroert zich niet, staat daar maar, niets durvend. Ik pak een grote krat, leg er een vulling van een van de hondenbedjes in en zet het katje er in. Maar het bevalt me niet, ze is te sloom, te gelaten, te koud. Ik ga op de grond zitten en het katje komt direct op schoot, zich in mijn warme handen duwend, hard snorrend, maar ook hoestend en niesend. Zo zit ik een tien minuutjes, het katje bekijkend terwijl ik mijn warme handen telkens op een ander plekje van haar lijfje leg, haar scherpe ruggengraat voelend, de lollige witte teentjes ziend, de schrammen beter bekijkend die op haar rug zitten. Wat heeft ze allemaal meegemaakt in de afgelopen tien dagen?

Het begin weet ik, ze liftte per ongeluk mee in de auto van haar buurman, de cv-monteur die hier een nieuwe ketel kwam ophangen. Ze vluchtte zodra hij de achterdeur van de auto opendeed weg, de bosjes in terwijl de storm aan de struiken rukte en de regen neerkletterde. Zo'n tien dagen heeft ze moeten overleven,  onbekend, bang, niet reagerend op ons roepen, aldoor wegvluchtend en dat in het vreselijkste weer dat we deze winter hebben gehad. Maar ze heeft het overleefd, en opeens realiseer ik me dat ik de eigenaars van het katje moet bellen.

Ik haal de telefoon op en maak gelijk een warme kruik, wikkel die in een handdoek. Het katje zet ik in de krat op de warme kruik, waar het braaf blijft zitten, dan waarschijnlijk de warmte voelt en gaat liggen. "Echt, heb je haar gevangen?" roept haar baasje door de telefoon: "wat fijn, ik had de moed al opgegeven". Ze moeten even iets regelen, want ze moet zo naar haar werk .... geen auto ..... Ik geef mijn telefoonnummers en zeg dat het niet uitmaakt, het katje is in goede handen, als ze haar morgen pas kunnen ophalen is dat ook goed.

Ik zit nog steeds bij het katje als de telefoon overgaat: er is iets geregeld, ze kunnen over ruim een kwartier bij me zijn. Er roert iets van teleurstelling in mijn borst: 'zo snel al' denk ik. Tien dagen heb ik naar het katje uitgekeken, gezocht, en nu is ze er net of ze gaat al weer weg.
Ook maak ik me zorgen om het katje dat zich vrijwel niet beweegt, alleen af en toe met haar ogen knippert, dommelend op de warme kruik ligt. Doodmoe natuurlijk en slap van dagenlang niets eten.
Dan stopt een auto, een man stapt uit, een blauw kattenmandje dragend. Z'n vrouw kon niet komen, moest naar haar werk ...... hij pakt het katje uit de krat, zeggend dat ze zeker veertien dagen niet naar buiten mag, misschien nog even naar de dierenarts ..... ze zijn blij dat ze terecht is. Dan stapt hij naar buiten, de auto in. Het regent nog steeds, heftiger nu. De auto rijdt weg, toetert nog even. Dag Meisje, thuis lekker uitrusten en niet meer met je buurman meeliften.